Elk kwaliteitsoordeel is aanvechtbaar

Van Karel Bralleput, pseudoniem van Simon Carmiggelt, herinner ik me een gedicht dat ‘de criticus’ heette. Het vers beschrijft een man die een theatervoorstelling bijwoont om daar voor zijn krant een recensie over te schrijven. Het stuk is een enorm succes. De hele zaal ligt slap van het lachen. Behalve de criticus. Die komt thuis en zegt tegen zijn vrouw: ‘Het was weer niks’.

Wat Bralleput hier beschrijft, is natuurlijk het vooroordeel van theatermensen jegens de negatieve recensent: een onverbeterlijke zuurpruim, die niet ziet wat wij voor prachtigs hebben verricht en als hij het al gezien heeft, daarover niet bericht omdat hij geborneerd is.

Of dit beeld nog steeds bestaat, zou ik niet weten – Bralleputs gedicht is al uit de jaren zestig. Maar in ieder geval lijkt dit imago – van als deskundigheid vermomde persoonlijke willekeur – te zijn overgegaan op de talrijke fondsen die sinds enkele maanden in Nederland veel kunstsubsidies van de rijksoverheid verdelen. Dat blijkt uit de recente zaak van de leider van Theater Nomade, Ab Gietelink, tegen het Nederlands Fonds voor de Podiumkunsten, dat Nomade niet in aanmerking laat komen voor een vierjarige subsidie.

De rechter heeft deze week bepaald dat het Fonds niet onrechtmatig heeft gehandeld door in verband met de negatieve beslissing niet een voorstelling van Nomade te bezoeken, voor onderzoek. Dat maakt wel een beetje vreemde indruk. Waar zou het oordeel van het Fonds dan wel op gebaseerd zijn? Geruchten? Het beleidsplan? Krantenrecensies?

Ook ik moet bekennen Nomade nimmer te hebben gezien. Misschien maken Gietelink en de zijnen wel prachtige voorstellingen, die een vierjarige subsidie dubbel en dwars waard zouden zijn. Maar op zich kan ik me wel vinden in de gedachte dat zo’n Fonds prioriteiten stelt, op grond van subjectieve inzichten, die degenen die buiten de boot vallen in hun woede natuurlijk voor vooringenomenheid aanzien.

Je kunt namelijk niet anders, als je in zo’n fonds zit en op grond van kwaliteitscriteria het schaarse goed subsidie moet verdelen. Ieder kwaliteitsoordeel is aanvechtbaar door zijn aard: uw kwaliteit is niet de mijne, maar jammer voor u zit ik in de beoordelingscommissie en u niet. In deze systematiek is een pleidooi voor ‘objectieve prestatiecriteria’, zoals Gietelink doet, volledig irrelevant. Natuurlijk kunnen er eisen worden gesteld aan de formulering en motivatie van kwaliteitsoordelen, en aan het onderzoek dat eraan vooraf is gegaan. Maar tenslotte zijn die oordelen wat ze zijn – dat is het systeem.

De vraag is of de critici van dit systeem, eenmaal bekomen van hun woede over een afwijzing, serieus iets anders zouden willen. Een loterij? Automatische financiering, oftewel wie rendement behaald op subsidies krijgt vanzelf weer subsidie? Beslissing door ambtenaren op het ministerie, op grond van de voorkeuren en inzichten van de minister van het moment? Wie het eerst komt, het eerst maalt?

Het zijn allemaal concrete mogelijkheden, en met sommige ervan heeft het Nederlands Fonds voor de Film in de afgelopen jaren zelfs ervaring opgedaan. Bij mijn weten leidde dat niet tot grote tevredenheid onder filmmakers. Nee, er lijkt niet zo heel veel alternatief voor de kwaliteitssystematiek. Misschien moeten we in al die heftige protesten en verdachtmakingen maar theater zien.