Een lachende ezel

De lach is er, aldus wijsgeer Henri Bergson, oorspronkelijk om de ander te vernederen. Maarten Doorman en Fredie Beckmans bezoeken graven van filosofen.

Waarom balkt er een ezel achter de kerkhofmuur van Garches? Waarom verstoort dit schrikwekkend geluid van een openscheurend kerkorgel, deze zak vol huilen, boeren, lachen en schreeuwen de rust van de doden op de begraafplaats van het verder zo stille dorp ten westen van Parijs?

Het moet iets te maken hebben met de onopvallende granieten zerk waaronder de Franse wijsgeer Henri Bergson met vrouw en dochter tussen rozerode bloemetjes begraven ligt. Bergson filosofeerde namelijk over het lachen. De lach, zo meende hij, is er oorspronkelijk om de ander te vernederen, maar hij kan ook de bevrijding zijn van het starre en automatische in ons leven.

Een oude vrouw passeert van rechts met een lege gieter. Er klinkt een zachte snik. Met een volle gieter komt ze weer op van links. Ze knikt en wil voor de foto de plantjes bij de denker wel water geven. Ze glimlacht nerveus. Ze weet niet wie Bergson is, al ziet ze op de steen nu zijn verdiensten. Lid van de Académie van Frankrijk, Drager van het Grootkruis van het Legioen van Eer. En dan staat de door hem gewonnen Nobelprijs voor Literatuur er niet eens op.

Bergsons filosofie was een pleidooi voor het leven. Hij maakte een onderscheid tussen de objectieve tijd en de werkelijk ervaren tijd, waarin de mens zich onttrekken kon aan de rigide, wetenschappelijk bepaalde wereld, aan de onontkoombaar wegtikkende seconden. Hij begon zelfs een discussie met Einstein, maar dat leidde tot niets. Toch was hij enorm populair. Hij had met zijn colleges ook de Parijse Opéra makkelijk gevuld.

Eind jaren dertig ging de van huis uit Joodse Bergson bijna tot het katholicisme over. Ten slotte deinsde hij ervoor terug, omdat hij „een enorme golf van antisemitisme over de wereld zag aanrollen”. Bergson wilde niet van de vervolgden weglopen en weigerde dispensatie voor anti-Joodse maatregelen toen Parijs werd bezet.

Hij had reuma en het lachen was hem vergaan. Aan het begin van de oorlog stierf hij. Zijn laatste woorden waren: „Mijne Heren, het is vijf uur. Het college is voorbij.” Een priester stond aan zijn graf.

De objectieve tijd tikte door. Ook nog na 1945. Steeds nieuwe weduwen sjokken met emmers tussen de graven. In het schorre gebalk achter de muur lacht de ezel zich suf.

Maarten Doorman