De zonnige kant van de stad

Amsterdam was de stad van Martin Monnickendam (1874-1943). De schilder werd vergeten, maar nu is er volop aandacht voor hem in Amsterdamse musea. Zijn momentopnamen van het stadsleven sprankelen nog steeds.

Eerst verdween het bordje ‘portretschilder’ bij de bel. Daarna de faam die erbij hoorde. Weer later werd de onderpui van Stadhouderskade 92 uitgebroken voor een inloopzaak. Het assortiment vloerbedekking oogt pips vergeleken met het joyeuze palet van Martin Monnickendam, die hier woonde en werkte van 1925 tot zijn dood op 4 januari 1943. Boven de oorspronkelijke buitendeur had de schilder in zandsteen drie ruiters uitgehakt, geïnspireerd op het zestiende-eeuwse carillon in Monnickendam. De achterwerken van de paarden wezen naar rechts, in de richting van de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten even verderop.

„Hij was verbolgen geweest dat men hem niet had benoemd tot professor.” Op zijn dagelijkse wandeling naar en van kantoor komt de Amsterdamse notaris mr. R.J.C. van Helden langs het adres. Hij heeft het één keer bezocht toen het te koop stond. Toch weet hij er het fijne van: door de kunstwerken, de foto’s en documenten, en door de verhalen van de dochters Monarosa en Ruth Monnickendam. De anekdote over de – verdwenen – gevelsteen tekent meer de humor dan de ergernis van hun vader, meent hij. Martin Monnickendam had een montere natuur en een onvermoeibare werklust. De tweedelige oeuvrecatalogus met ruim 4.300 werken en de monografie die Van Helden vorige week bij de aanvang van het ‘Monnickendamjaar 2009’ in het Stadsarchief presenteerde, getuigen ervan. Met de schenkingen aan diverse museale instellingen en de bijbehorende tentoonstellingen is Monnickendam terug in de stad die hij tot vlak voor zijn dood bleef portretteren, maar die hem op den duur zou vergeten.

„Een kunstenaar verdwijnt als hij niet in de running is.” Van Helden wilde daar verandering in brengen zodra hij, begin jaren zeventig net afgestudeerd, op de schat van Elspeet stuitte. In twee huisjes tjokvol Monnickendams woonden de schildersdochters. Ruth was voor de oorlog getrouwd met een Veluwse boer. Roos bleef altijd ongetrouwd. In kasten, laden en mappen lagen ontelbare schetsen en (ego)documenten en dan hadden ze ook nog de ‘schilderijenschuur’. „De geringe belangstelling voor hun eens gevierde vader vonden ze vreselijk, maar ze bezaten de kennis noch de mogelijkheden om de omvangrijke collectie te conserveren. Menig werk verkeerde in zeer slechte staat. Er moest iets gebeuren. Doe jij het maar, zeiden ze. Het gaat vijfendertig jaar duren, zei ik.”

In 1973 richtte Van Helden

, toen nog kandidaat-notaris, de Stichting Vrienden van de schilder Martin Monnickendam op die als doelstelling kreeg het inventariseren, catalogiseren, documenteren en restaureren van het oeuvre. Met de dochters vormde hij het bestuur en hij zette alles zelf in gang, waarbij hij zich liet adviseren door deskundigen op elk gebied. „Een stichting is een tussenstation, geen einddoel. Roos en Ruth wilden niets liever dan dat hun vaders werk in openbare collecties terecht zou komen. Met de oeuvrecatalogus zeg ik letterlijk: dit is wat ik heb gevonden.”

Zijn fotografisch geheugen kwam hem goed van pas. „Dan zag ik ineens dat een schets van een koffiedrinkend vrouwtje een voorstudie was van een hoekje in de grote aquarel Heiligen en profanen, de veiling van heiligenbeelden.” Steeds beter leerde hij de werkwijze van de schilder kennen. Steeds vaker herkende hij Monnickendams familieleden en de schilder zelf die als een geamuseerde Alfred Hitchcock acte de présence geeft, dikwijls in gezelschap van mooie, mondaine vrouwen wier aandacht de charmante schilder ook in werkelijkheid wist te trekken.

Na ieder bezoek nam Van Helden een pakket kunstwerken en documenten mee om in kaart te brengen. Per stuk liet hij de dochters zoveel mogelijk vertellen. Van zijn gehaaste bestaan in de stad stapte Van Helden bij hen telkens een andere, trage tijd in. „Ik kwam er tot rust. Al heb ik ze, met het oog op de stichting, wel een telefoon aangepraat. Ze woonden in een zeer christelijke omgeving. Over de televisie werd een kleedje gelegd zodat de buren het duivelse toestel niet konden ontwaren. Ze leefden sober, droegen kleren van voor de oorlog en aten alleen groenten uit hun tuin. Toen Roos in 1973 AOW kreeg, verdubbelde haar inkomen. ‘Wat moet ik ermee?’ vroeg ze. Een keer lieten ze me, verontwaardigd, een aandeel De Nederlandsche Bank zien dat hun vader als honorarium had geaccepteerd. Ik heb het ingewisseld. Het was, tot hun verbijstering, 32.000 gulden waard.”

Van hun argeloosheid was ook misbruik gemaakt. Een mooiprater vertrok met vier doeken en 75 tekeningen. Van Helden wist uit een Israëlisch museum het monumentale doek Ontvangst van den Lord Mayor van Londen in het Paleis op den Dam terug te krijgen. Het hangt in het Amsterdams Historisch Museum dat, net als het Joods Historisch Museum, nu opnieuw schenkingen van de stichting krijgt. Het Stadsarchief maakt de enorme schenking van ruim zevenhonderd werken op papier op de website voor iedereen toegankelijk.

Als het niet anders kon,

dempte Monnickendam zijn kleuren en paste hij zijn geliefde Zuid-Franse blauw en fluweelrood spaarzaam toe, zoals voor zijn reportages in het Algemeen Handelsblad van de watersnood benoorden Amsterdam in 1916. Meestal was hij kwistig met licht en kleur. In opdracht van kunsthandelaar Bernard Houthakker portretteerde hij tijdens de Eerste Wereldoorlog verdwijnende stukjes Amsterdam. „Houthakker verkocht ze als warme broodjes. Hij heeft gaande de reeks zelfs de prijs verhoogd.”

Amsterdam is een zonnige en dynamische stad vol passanten die Monnickendam net genoeg tijd geven om de kwintessens van hun kleurige en beweeglijke gestaltes te vangen voor ze alweer een straat verder zijn. Weemoedigheid is hem vreemd. Zijn momentopnamen van het stadsleven sprankelen of er, terwijl hij zijn hoed opzette om de deur uit te gaan, al een swingend liedje bij hem opkwam.

Tot het laatst heeft hij gewerkt. Buiten was verboden. Misschien dat daarom de gracht en de kade tegenover zijn huis zo’n ijzige aanblik hebben op het schilderij en de aquarel die hij van het winterse uitzicht maakte. Maar het venster was hem niet genoeg en er was inkomen nodig. Hij nam de opdracht aan om op de bitterkoude Oudejaarsdag van 1942 huisjes op de Bloemgracht te tekenen die een bevriende architect aan het restaureren was. Het zijn prachtige, desolate tekeningen. Vier dagen later bezweek Martin Monnickendam aan een longontsteking.

Over de bezetting

spraken de dochters nooit met Van Helden. Vanwege hun niet-joodse moeder Alice hoefden ze geen ster op. Hun vader bleef deportatie bespaard. Vermetel optreden van een bevriende notaris hield de nalatenschap uit handen van de Duitsers: niet-joodse erfgenamen, dus geen joods bezit meer. Monnickendams ongetrouwde zusjes werden omgebracht. Rachel in Auschwitz. Liesje in Sobibor. Het was een hechte familie geweest. Onder de stralende luchter van de bijouteriewinkel van hun broer Jacob in de Kalverstraat werden ze in 1909 door Martin vereeuwigd. De stichting schonk dit meesterwerk, ‘Bij den juwelier’, onlangs aan het Rijksmuseum.

De jaren met Monnickendams oeuvre en zijn dochters – Ruth overleed in 1991, Roos in 2004 kort voor haar 96ste verjaardag – beschouwt Ruud van Helden als het geschenk van zijn leven. Als jongetje stond hij thuis voor ‘Straatje in Bretagne’ dat zijn grootvader van Monnickendam had gekocht. Hij erfde het doek. „De sensatie dat ik het straatje inliep en kon dwalen is nooit meer weggegaan. Ik zie het elke dag en nooit raak ik uitgekeken.”