De bundel die er niet zou komen

Vandaag honderd jaar geleden werd de dichteres M. Vasalis geboren. Eind 2009 komt haar biografie uit. Op deze pagina’s een voorpublicatie, over de vierde bundel van Vasalis – die er niet kwam. Wat ze schreef, werd pas na haar dood gepubliceerd.

In het late najaar van 1961 is het inmiddels zeven jaar geleden dat Vasalis’ laatste bundel verscheen. Gezien de tussenpozen van zeven jaar tussen Parken en woestijnen (1940), De vogel Phoenix (1947) en Vergezichten en gezichten (1954) zou het prachtig zijn als er nu een nieuwe Vasalis-bundel zou uitkomen. Vasalis lijkt dat moment te voelen naderen. In het najaar van 1959 schrijft ze aan haar uitgever Geert van Oorschot dat ze ‘weer wat aan het schrijven’ is, maar dat pas over twee jaar wil laten zien. Ze heeft de datum van 1961 dus wel degelijk in haar gedachten. Toch gaat haar regelmatige contact met Van Oorschot vooral over zaken. Van Oorschot zit – als altijd – achter een nieuwe bundel aan, maar hij wil bovendien het alleenrecht op Vasalis hebben, ook over de bundels uit 1940 en 1947, waarvan het uitgaverecht nog steeds bij Stols berust. Hij vraagt Kiek (de bijnaam van Vasalis) maandenlang om haar contracten met Stols nu eens op te zoeken opdat kan worden verhinderd dat Stols de inmiddels uitverkochte De vogel Phoenix toch weer zonder overleg met haar gaat herdrukken. Als dat gebeurt zal het des te moeilijker worden om ‘ons van deze meneer los te maken’ zoals hij het formuleert.

Het in april 1961 dan eindelijk naar tevredenheid afgeronde contract geeft ruimte voor een veel belangrijkere vraag: komt er een nieuwe bundel? Vasalis weet het waarachtig niet:

„Zooals het nu staat zijn er te weinig verzen en één groot waaraan ik – met lange onderbrekingen – bezig ben, is nog zoo zeer in aanbouw, dat ik er nauwelijks iets over voorspellen kan. Ik had nog andere dingen op ’t programma, namelijk een toneelstuk, waarvoor men mij een opdracht wil geven en een paar verhalen, die ik probeer te schrijven. Maar er is niets over de helft klaar en ik werk me erg moeizaam door een moeras van verplichtingen en therapieën heen tot half Juli. Dan houd ik op met werken in Assen. En dan moet er een beslissing komen of ik op het bureau in Groningen ga werken, met andere woorden of ik echt kinder-psychiatrie blijf doen, òf dat ik heelemaal uitschei en me op mijn andere werk zal storten. Ik geloof nooit, dat ik dat laatste kan of durf.

„Mijn laatste bundel kwam in de winter uit, op ’t laatste nippertje, niet in ’t najaar. Als dus mijn volgende in December 1961 uit zou komen was ik nog binnen mijn magische 7 jaar. Maar ik weet ’t niet, ik ben af en toe zoo moe, dat ik zelfs geen brief kan schrijven. Als ik een uur per dag alleen ben is dat veel en dat uur is dan nog nooit gespaard door telefonen. Ik denk er wel eens over om een kamer te nemen, om te kunnen werken, maar dat is ook weer zoo opzettelijk dat ik bij ’t idee al moet lachen.

„Ik denk dat mijn leven zoo blijft tot de kinderen uit huis zijn, dat is over ruim vier jaar. Misschien kan ik daarna zoowel wat ongebondener als geconcentreerder leven. Na de vacantie, dus in September kan ik je met meer zekerheid zeggen of die bundel al of niet klaarkomt.”

Hier is Vasalis’ probleem ten voeten uit.

Te veel, te druk, te moe, nog geen uur per dag alleen en ze durft niet radicaal te kiezen voor haar creativiteit. De ziektes van haar kinderen en de pijnlijke hernia die haar blijft kwellen kunnen daaraan worden toegevoegd. Maar ze komt niet terug op wat ze Van Oorschot schrijft. Ze neemt die werkkamer voor zichzelf niet en de nieuwe baan in Groningen wel. En ze heeft net – begin mei 1961 – haar moeder uit Den Haag gehaald, want het gaat dan even niet goed met moeder: „[Ze] ligt nu bij ons in bed, heel stil en wat ongelukkig. Ze is af en toe wat gedesoriënteerd, wat ze helaas zelf merkt. Zondag is ze jarig, 85 jaar. Haar circulatie geeft het op, af en toe.”

Hoewel Kiek de zorg voor haar moeder in latere jaren, als ze bedlegerig wordt, gaat delen met haar zus Ank, zal de beminde zieke haar toch veel tijd kosten. Ook veel geluk geven, maar dat is nu precies Kieks eeuwige dilemma. Als het gaat om de kunst of het leven wint het leven altijd, en zonder leven heeft de kunst – die bij haar op een voedingsbodem van leven teert – voor Vasalis geen betekenis.

Ondanks de schaduw die het uitblijven van de nieuwe bundel werpt, gaat het Kiek in het najaar van 1961 en in 1962 tamelijk goed. „Er zit Goddank weer diepte en ruimte in het bestaan, af en toe zelfs wat teveel”, laat ze Geert weten. Ze wil ook graag dat Geert, Hil en de kinderen haar Groningse leven weer eens komen proeven:

„Het is hier zo’n opluchting om te leven. Ik weet niet precies waaraan dat ligt. We zijn hier zo gelukkig als ’t hoort: dat wil zeggen vaak ongelukkig, maar niet benard. Met ruimte en niet àl te mooi. Met ongemakken, die de werkelijkheid accentueren. In een isolement dat – omdat we werken – niet tot solipsisme leidt.”

Maar dat ‘werken’ is voor Vasalis nu werken als psychiater en niet schrijven. Daartoe ontvalt haar weer eens de moed als ze in de zomer van 1962 de brieven van Emily Dickinson en Vincent van Gogh leest, die ze beide heel aangrijpend vindt:

„Bij Emily Dickinson veel meer lacunes, die je met je ervaring of fantasie kunt opvullen; brieven veel vreemder en minder direct, ‘gekker’ dan die van Van Gogh. Bij beiden indrukwekkende werk-kracht en isolement. Het lijkt me nu alsof men toch in een of ander opzicht ziek moet zijn of wat kapot om zo iets rijks en gaafs als hun kunst voort te brengen.”

Vasalis vergelijkt zichzelf met deze kunstenaars. Ze beseft dat zij zelf niet heeft gekozen voor die diepe eenzaamheid, waaruit de grote kunst voorkomt. Ze is ook niet beschadigd. In plaats daarvan gaat ze gebukt onder de kleine, dagelijkse zorgen, niet groot genoeg om zich ervan los te vechten.

„Zolang het ‘wel is uit te houden’, krijgt men wat men verdient, het middelmatige, onvrolijke, onwanhopige leven, met een slecht geweten, de stille hoogmoed van iemand die zich niet volledig inzet en denkt: als ik het zou doen, dan zou je eens wat zien. Het enige wat helpt is werken en zorgen, dat het leven niet de plaats inneemt van het Leven dus fit blijven als een sport-professional. Ik geloof niet dat ik het kan. Ik heb te lang gewacht, en gefree-wheeld op een aanwezig talent, te weinig ook geloofd aan mijn vermogens en de noodzaak om te werken. Zoals het gegaan is heb ik noch het gewone goede leven geleid, noch het moeilijke van een kunstenaar, met de pretentie van beiden te doen.”

Ze geeft het op. En ze betreurt

dat ze noch heeft kunnen kiezen voor het barre kunstenaarsleven, noch voor voluit genieten van een leven zonder de drang tot dichten. Het is het dilemma waarin ze lange tijd gevangen blijft: haar dagboek laat zien hoe ze heen en weer wordt geslingerd tussen willen maar niet kunnen, wel kunnen maar geen tijd hebben, en tenslotte niet meer kunnen en zich daar schuldig over voelen. In april 1963 bericht Vasalis haar uitgever toch geruststellend dat ze elke dag schrijft. Ook heeft zich nu het perspectief van een verhuizing naar het stille Drentse Roden geopend met „meer rust en isolement [...] zodat ik eens allerlei kan afmaken.” Maar als Geert medio juni 1964 weer eens voorzichtig informeert hoe het ermee staat is haar antwoord:

„Alle papieren, boekjes, briefjes liggen nog net zo in een kast als ik ze vervoerd heb uit Groningen. Het huis is nog grotendeels in staat van wording en ik in staat van ontbinding. Het was oorspronkelijk een vacantie-oord en als zodanig wordt het blijkbaar nog helemaal beschouwd. Moeder vormt ook een grote attractie en ze geniet zo van bezoek dat ik het hart niet heb ’t te remmen. – Het komt er dus op neer, dat er geen sprake is van vrije tijd. Wel schrijf ik iedere avond plusminus een half uur. Maar zelfs brieven komen niet af. Nu gaan we maandag veertien dagen op reis. Kom je in augustus (tweede helft) eens langs? Ik heb de verzen van de laatste acht jaar nooit meer overgelezen maar mijn indruk is, dat ze niet goed zijn.”

De overtuiging dat het niet goed is wat ze schrijft wordt vanaf dit moment bij Vasalis steeds duidelijker. Daarmee groeit ook haar weerzin tegen haar oude werk, dat Van Oorschot regelmatig herdrukt en dat haar „onbeschrijfelijk de keel uithangt”. In maart 1965 schrijft ze Van Oorschot:

„Ik heb wel een nieuwe bundel, maar ook daar heb ik nu al zo’n weerzin tegen, dat hij blijft waar hij is. Ik kan pas weer iets publiceren als ik van binnen gereorganiseerd ben, àls ik dat nog word. Ondanks dat schrijf ik bijna iedere avond nog steeds door, het is een gewoonte geworden als roken etcetera. Ik ben nu aan ’t opruimen en verscheuren van de laatste vijf jaar. – Deze week komt moeder weer voor een maand of vier.”

En als moeder weer komt wordt er in elk geval niets afgemaakt, zoveel weet Van Oorschot intussen ook. Zelfs het sturen van een enkel gedicht voor Tirade durft Vasalis niet meer aan. Terwijl ze Van Oorschot zelf vaardige literaire adviezen verstrekt over zijn verhalen en romans en alle nieuwe poëzie bijhoudt – ze is dol op Leo Vroman en weg van Fritzi Harmsen van Beeks ‘Geachte Muizenpoot’ – graaft de twijfel aan haar eigen kunnen steeds dieper.

Het is nu inmiddels haast tien jaar geleden dat de laatste bundel verscheen. Het wordt een kwelling, die in deze periode op aangrijpende wijze is samengebald in een fictief interview voor de televisie met de dan toonaangevende criticus Hans Gomperts. Gomperts heeft Vasalis ook daadwerkelijk opgebeld in 1962, op een karakteristiek drukke dag. Kiek krijgt zelf ook een punthoofd van die eeuwige drukte en noteert die episode in haar dagboek:

„28 [augustus 1962]. Voorbeeld van een chaotische dag: Te laat wakker, 8 u. 8.30 telefoon van M. uit Delft. Hieruit vloeien voort: telefoon aan Dr. S. Amsterdam. Mis. Tel. aan H.T. 2x , thuis & in de kliniek. Telefoon aan M.G. in Delft. Daarna telelefoon voor Jan. Toen telefoon van Gomperts (intussen 9.30, mevr. St. & Lina dribbelen, respectievelijk wandelen door huis, vragen om de was etc.) Gesprek met Hans G[omperts], desorganiseert me. Hij zegt, we willen weer de belangstelling voor je werk wekken in een vraaggesprek voor de T.V. Ik: wat heb ik daaraan voor mijn werk? Hans: het zou je misschien stimuleren iets te maken. Ik: zou ik beter schrijven als ik voor een T.V. camera had gestaan? H: ’t zou je misschien weer wat contacten opleveren. Ik: ik heb al veel te veel contacten etc. De kwestie is eenvoudig: ik zou geen een vraag eerlijk kunnen beantwoorden. Der Freund hört mit. Intussen hebben we met z’n zessen koffie gedronken – is het weer 12 uur.”

Vasalis’ beroep brengt niet zelden

crisissituaties met zich mee. Op bovenstaande ochtend moet ze vermoedelijk een spoedopname regelen. Huishoudelijke hulp is fijn, maar betekent ook dat je nooit meer alleen bent. En dan is er op deze dag nog niet eens iemand ziek, heeft ze geen acute hernia en zijn er geen logés. De uitdrukking ‘Der Freund hört mit’ (Kieks variatie op de oorlogsuitdrukking ‘Feind hört mit’) wijst op het eerste gezicht op een verlegenheid, een schaamte juist ten opzichte van vrienden over dat het schrijven niet meer lukt. Maar ook zijn vrienden vanuit het schrijversperspectief vijanden, omdat het de sociale omgang is die Kiek blokkeert in het schrijven. Dat kan ze onmogelijk op de televisie vertellen: ze wil niemand kwetsen. Zo raakt Vasalis in een knoop met zichzelf, nu de houdbaarheidsdatum van een continu schrijverschap begint te verstrijken. En er zit soms nog een element in haar reflecties behalve embarassment over het gebrek aan continuïteit en het nimmer willen kwetsen van intimi. Aan Van Oorschot schrijft ze ergens in 1963:

„Moeder heeft de t.v. aan, ze ligt met haar barnstenen gezichtje en haar ‘schuimwit haar’ ernstig naar die nonsens te kijken en te luisteren in haar kamer naast de huiskamer en de twee klokken tikken door elkaar zo onregelmatig en vertrouwd als twee koeien met verschillende bellen om. Ik kan weinig anders doen deze tijd dan mijn ‘geoorloofde’ werk: het psychiatriese en de verzorging van Jan, moeder, Maria. – Misschien krijg ik nog eens meer tijd.”

‘Geoorloofde’ werk, staat er. Ergens diep in haar hart mag dat schrijven niet, omdat het af gaat van wat Vasalis hier bestempelt als werk dat wel geoorloofd is: psychiater, echtgenote en zorgende moeder zijn. Tijd ‘krijgen’ is weliswaar een staande uitdrukking, maar het heeft iets afwachtends in zich: men kan ook tijd nemen. Maar Kiek heeft het gevoel dat ze geen keus meer heeft.

Nee, er kwam geen televisie-interview met Vasalis in 1962. Maar in haar verbeelding kwam het er wel. Die tekst citeer ik in zijn geheel. Vasalis heeft de beelden die tijdens het gesprek op het scherm voorbij zouden moeten trekken als regieaanwijzingen toegevoegd:

„Waarom ik nooit een T.V. interview zou toestaan.

G[omperts]: Je hebt, geloof ik, een gelukkige jeugd gehad. Woonde je niet aan zee, in ieder geval dichtbij?

I[k]: Ja. –

Foto’s van het strand, de duinen, donker bruine foto’s van Ankie & mij in een zandhoop, de bosjes van Poot. Foto’s van moeder als beeldschoon, gaaf, ernstig, jong meisje. Brutale & gevoelige foto’s van vader als jongen. Foto’s van Harlingen, de 3 generaties, van moeders vader een bleke mooie man met golvende krullen, omatje, rillerig met een kantje op haar haar, heel lichte kinderogen.

G: Je 2 grootvaders waren dominée?

Ik: Ja. –

Foto van opa uit Harlingen, breed & koud kijkend, zwak-tyranniek.

G: Al komt het niet zo duidelijk uit, ik geloof, dat je jeugd een grote rol in je werk speelt.

Ik: De enige rol. Jeugd is voor mij het heden. Alles wat ik beleef is jeugd. Als ik niets beleef is het ouderdom. Herinneringen ook, als ze niet kers-vers zijn. Ik geef alleen om kers-vers.

G: Bedoel je, dat je alleen van nieuwe dingen houdt?

Ik: Ik houd helemaal niet van nieuwe dingen. Ik houd van oude dingen, van dingen die ik nieuw zie. Nieuwe dingen zie ik niet gauw, daar ben ik bang voor. Die ken ik niet. Oude dingen ken ik ook niet, als ik ze niet herken. Vroeger gebeurde alles vers, maar langzaam, zodat je eraan wennen kon.

G: ?

Ik: Ik lag op het dak, het rook naar pek, omdat er zon was. Ik trok kiezels uit de pek, met een lange draad, zwart. Ik rook aan de zinken dakrand en aan de schoorstenen. Iedere schoorsteen rook anders. Ik zag op het dak de duinen & de zee, en de straat & de mensen. De duinen lagen stil. Maar vers. Het kanaal stroomde langzaam, de zee flonkerde. Altijd. De mensen gingen voorbij. Ik had er een prettig soort heimwee. Ik wou, dat het altijd zo bleef als het was.

G: Heb je dat gevoel nog?

Ik: Nee. Tenminste niet vaak. Ik heb nu ’t gevoel, dat ik in een wachtkamer zit, mijn mantel maar niet uittrek.

G: Wanneer ben je dat gevoel kwijtgeraakt.

Ik: Laat. – Een van de eerste redenen waardoor ik het land aan Goethe kreeg is door Faust die we op school lazen. Hij zal zijn ziel aan de duivel verkopen, zodra hij van ’t ogenblik denkt verweile doch du bist so schön. Dat vond ik zoiets wonderlijks. – Het enige wat ik altijd dacht was juist: ik hoop dat ’t zo blijft, onafhankelijk van de omstandigheid of ik gelukkig of ongelukkig was. Ik kan niet tegen verandering.

G: Hoe zie je dat psychologies?

Ik: zeg maar gerust: psychiatries. Ik ben bang. Voor de toekomst, voor wat er nog niet is. Ik heb nooit dagdromen over ‘later’ gehad, en ook geen plannen. Alles moet zich nu afspelen.

G: Ben je veranderd, zelf?

Ik: Nee, verouderd. Ik kom nog maar incidenteel voor.

G: Hoe komt, dat je zo weinig gepubliceerd hebt.

Ik: Omdat ik er niet tegen kan als iets niet goed is en omdat ik veel schrijf wat niet goed is. Dat ik blijf schrijven is een kwestie van lijfs-behoud. Ze zeggen altijd dat je in de sneeuw niet moet gaan zitten want dan ga je dood. Je moet blijven lopen, zeggen ze.

G. Waarom ben je psychiater geworden.

Ik: Omdat het ’t meest op leven lijkt, dat vak. En omdat geestelijk lijden veel erger is dan lichamelijk, hoewel dat ook niet meevalt. Maar dat niet alleen. Omdat zenuw-zieke en geestes-zieke mensen zich onverdund met de enig-belangrijke dingen bezig houden. Waar ze niet uitkomen. Het is ook jeugd, kers-vers.

G: Wat is voor jezelf het belangrijkste: je vak of schrijven.

Ik: Ik weet het niet. –

G: Voel je je beroerd.

Ik: Ja.

G: Zullen we dit maar stoppen?

Ik: Ja. Ja!

G: Zijn we iets verder gekomen?

Ik: Nee.

Foto’s van de zee.

Hans: zal ik je naar huis brengen? Waar woon je?

Ik: Ik weet het niet. –

The End.”

Treffender antwoord aan Gomperts

had Vasalis niet kunnen geven. Wat zij vertelt is zo authentiek en zo kwetsbaar dat zij het zelf bijna niet verdraagt en ervan gedesoriënteerd raakt. Hoe wijs, om zichzelf te beschermen en niet in het openbaar met Gomperts te spreken. Want ze weet niet hoe het nu verder moet, en ze lijkt zich dat ten volle bewust te zijn door dit fictieve interview te schrijven. Het moet niet zozeer verder als wel terug: terug naar een jeugd, die staat voor een manier van bestaan die ‘kersvers’ is. Ze is op zoek naar onmiddellijke werkelijkheidsbeleving, naar een ‘nu’ dat ze verloren heeft. Ze kan er niet meer bij en daardoor weet ze hier als het ware niet meer waar ze woont.

Ze heeft al eens eerder beschreven hoe ze altijd hecht aan de huidige toestand, gelukkig of ongelukkig, maar in elk geval aanwezig. Het heimwee naar ‘kersvers’ biedt ook een belangrijke sleutel voor het begrijpen van een facet van Vasalis poëzie, namelijk het dynamische karakter ervan. Ze wil het hebben over de wijze waarop het nu-moment zich openbaart. Ze werkt ernaartoe. Haar poëzie moet die openbaring voltrekken. Haar numen is het nu.

In het gedicht ‘Cannes’ wordt de ‘ik’ getroffen door het inzicht dat het alleen daarom gaat:

[...]

besef ik plotseling de enig werkelijke zonde:

dat ik door het verwonderlijkste nauw geraakt,

zonder besef door het bestaan gezegend

en door de schadelijkste dingen nauw geschonden,

ver van de werkelijkheid ben weggeraakt.

‘De werkelijkheid’ is het nu-moment

. En in haar jeugd was die onmiddellijke beleving er altijd. Dat is de paradijselijke wereld waaruit ze is verdreven en die ze zou willen herwinnen. Het is de wereld van de jonge ezel, waarin de dichter Vasalis een verloren zelf zag: ‘Die gaafheid en zachtzinnigheid, onzware ernst en droomrigheid/ o kon ik dat nog ééns herwinnen/ kon ik nog ééns opnieuw beginnen.’

Haar gedroomde werkelijkheid is het ‘wonderlijk gespleten, lange heden’ waarmee ‘Afsluitdijk’ eindigt. Het gedicht is de nu-machine. Poëzie is de koninklijke weg om tot hereniging van haar oude en jonge zelf te komen. Als die weg afgesloten raakt kunnen herinneringen aan haar jeugd de toegang misschien weer openen.

Deze tekst bestaat uit delen van hoofdstuk 23 van de Vasalis-biografie van de hand van Maaike Meijer. Het boek zal naar verwachting eind 2009 verschijnen bij uitgeverij Van Oorschot.