Bunker wordt caravanstalling

De staat zoekt een bestemming voor militaire complexen uit Koude Oorlog.

Verkopen of teruggeven aan de natuur is vaak de meest voor de hand liggende keuze.

De weilanden in de Lopikerwaard worden bij Benschop ineens onderbroken door een bos. Tussen bomen schemeren lage stenen gebouwen met zadeldaken. Een onbekende erfenis van de Koude Oorlog. Het is één van de mobilisatiecomplexen die tussen 1951 en 1961 zijn gebouwd voor de opslag van munitie en materiaal. Ze moesten dienen voor bevoorrading en uitrusting van mobiele infanteriedivisies. Toen de ‘Russen’ niet meer kwamen, is Defensie de terreinen gaan afstoten.

De Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (RACM) bracht twee jaar geleden tijdens een inventarisatie van mogelijke monumenten uit de Wederopbouwperiode ook het militair erfgoed in kaart. Van de honderd MOB-complexen (Mobilisatiecomplexen) waren er nog 89 over. De vraag is wat met deze complexen en ander militair erfgoed uit de Koude Oorlog moet gebeuren. Voor een aantal terreinen zoekt de overheid een nieuwe bestemming. Slopen, verkopen of teruggeven aan de natuur is vaak de meest voor de hand liggende keuze.

Peter Nijhof van de Rijksdienst voor Archeologie doet zijn best om betrokken partijen te wijzen op de cultuurhistorische waarde van het Koude Oorlogerfgoed. Benschop is volgens hem „een van de waardevolste complexen”. De gebouwen zelf zijn geen wonderen van architectuur. Het gaat om de strakke ruimtelijke inrichting van het terrein. Een bureelgebouw, een woning en een werkplaats, tijdelijk als antikraak bewoond, vormen de entree aan de provinciale weg N210. Vierendertig munitiemagazijnen op regelmatige afstand van elkaar vormen het hart van het complex.

Aan de achterkant van het complex is een open terrein. Hier liggen zeven grote betonnen bunkers, die met lage begroeiing zijn gecamoufleerd. Een opzichter maakt er één open: de bunkers worden tijdelijk als opslag gebruikt voor schilderijen en caravans.

De afdeling cultuur van de Provincie Utrecht wil het complex zoveel mogelijk behouden, weet Nijhof. ‘Behoud door ontwikkeling’ is nu het adagium in de monumentenzorg en dus zal het complex een nieuwe functie moeten krijgen.

Bij de Dienst Landelijk Gebied hebben zich al ruim vijftig belangstellenden gemeld. Ze willen er een vliegtuigmuseum, natuurbegraafplaats, klimpark of een paintballcentrum vestigen. Anderen zien het terrein als een buitenkansje voor vastgoedontwikkeling of de vestiging van een hondentrainingscentrum. Het terrein ligt in gebied dat deel uitmaakt van de Ecologische Hoofdstructuur, dus sloop en natuurontwikkeling zijn ook nog altijd mogelijk.

Een plaats op de overvolle rijksmonumentenlijst zit er volgens Nijhof niet in. Hij probeert daarom de betrokken partijen zich verantwoordelijk te laten voelen voor het behoud. In Brabant, waar de MOB-complexen worden gesloopt, is dat niet gelukt.

Bij de luchtwachttoren op Nieuw Fort Sint Andries, tussen het Gelderse Rossum en Heerewaarden, is Nijhof wel in die opzet geslaagd. De ruïne van het fort uit 1812 was al een rijksmonument, maar de ruim vijf meter hoge toren uit de jaren vijftig is onbeschermd. Vanuit deze en 137 andere uit geprefabriceerde betonnen elementen opgetrokken torens werd in de Koude Oorlog het Nederlandse luchtruim in de gaten gehouden. Er zijn nog 19 torens over. „Kijk”, zegt Nijhof verheugd, „Staatsbosbeheer heeft er een nieuwe stalen trap ingezet en ook een heleboel bouten vervangen.”