Bespoten huisje

Na jaren van nonchalance, aarzeling gesteund door innerlijke smoesjes heb ik afgelopen zondag om een uur of tien ’s ochtends de knoop doorgehakt. Ik ben erheen gelopen, heb door ramen gekeken en nog ben ik niet veel wijzer geworden.

Het gaat om een klein, mooi huisje aan de zuidzijde van de Weteringschans, tussen het Leidseplein en het Weteringcircuit. Eerst krijg je die twee geweldige woonhuizen met hun slanke torens. Een architectuur die geïnspireerd lijkt door Neuschwanstein, het kasteel van koning Lodewijk II van Beieren dat in onze tijd nog model heeft gestaan voor de bolwerken van Disneyland. Hij heeft de voltooiing van zijn meesterwerk, in 1886, niet mogen beleven. Zes weken voor het klaar was is hij gestorven. Deze koning, in het laatst van zijn leven krankzinnig verklaard, was zijn tijd ver vooruit. Neuschwanstein trekt nu per jaar 1,3 miljoen toeristen.

Verder langs de Weteringschans. Nu komt eerst de brug naar het Rijksmuseum, en dan zien we de twee kantoorvilla’s ontworpen door Van Gool. Daar stonden eerst twee mooie negentiende-eeuwse woonvilla’s, Banda en Neira, die door een onopgehelderd toeval bijna tegelijkertijd zijn afgebrand. En dan komt mijn idyllische huisje. Het ligt een meter of tien terzijde van de straat, aan een voetpad in een grasveldje. Een vierkant gebouwtje, geen verdiepingen en met een vloeroppervlak niet groter dan vijf bij vijf. Dat hindert niets. Het is een waardig, enigszins deftig aandoend bouwwerkje, neoklassiek, harmonisch, met aan weerszijden van de ingang een pilaarachtig reliëf. Ik schat dat het daar ongeveer een eeuw geleden is neergezet. Maar waarom? Waartoe heeft het gediend?

Jarenlang had ik het vanuit de tram gezien. En telkens was het weer verder door de graffitisten onder handen genomen. Op het ogenblik heeft het waarschijnlijk de dichtst bespoten muren van Amsterdam. Dat is geen wonder. Oorspronkelijk is het gebroken wit geweest. Daar kun je veel kleuren op spuiten. Zwart natuurlijk, rood, blauw en groen doen het ook goed. Alleen met geel bereik je minder effect. Het blijft een onweerstaanbare uitnodiging. En als er eenmaal één graffitist over de dam is, volgt onvermijdelijk de rest. Dit huisje wordt dus helemaal ondergespoten.

Een bord op de deur meldt dat er een dienst in is gevestigd. Kijk je door het linkerraam dan zie je een keukentje en een trap naar de kelder; achter het rechter is een werkkamer waar, voorzover ik het kon beoordelen, niet hard gewerkt was. Op het bord staat geen telefoonnummer. Wel wat wijzer geworden maar niet bevredigend, stapte ik weer in de tram.

Een paar dagen later de gemeente gebeld. Het eerste nummer van zeven cijfers gaf geen antwoord. Er is ook een nummer van vijf cijfers. Daar werd meteen opgenomen door een meneer die me doorgaf aan een deskundige. Hij maakte de indruk dat hij niet goed wist waar de Weteringschans ligt, raadpleegde de ene stadsplattegrond na de andere maar kwam er niet uit.

Dan maar Ons Amsterdam gebeld. Een antwoordapparaat met een toets waarop ik moest drukken om een mens aan de telefoon te krijgen. Dit mens was er kennelijk niet. En zo zit ik hier, nog altijd onwetend, mijn stukje te tikken.

Eigenlijk gaat het over de bescherming van negentiende-eeuws Amsterdam. Dat stadsgeheel van de Sarphatistraat, de Weesperzijde, de Plantage Middenlaan en omstreken, de burgerlijke waardigheid die we aan Samuel Sarphati te danken hebben.

Nog altijd denk ik dat niet goed wordt beseft dat dit alles even zorgvuldig moet worden bewaard en gerestaureerd als de erfenis uit de Gouden Eeuw. Kijk maar naar dat huisje aan de Weteringschans.