Pedoregister wekt schijnveiligheid

De Stichting Stop Kindersex publiceerde foto’s en adressen van vermeende pedofielen.

Maar daar voorkom je geen zedenmisdrijven mee, kijk maar naar de VS.

Vrijdag 6 februari publiceerde de Stichting Stop Kindersex via een Amerikaanse host een website met daarop foto’s, namen en adressen van vermeende Nederlandse pedofielen. Als gevolg hiervan zijn bij een Limburgse man die verdacht wordt van pedofilie de ruiten ingegooid en zou een man uit Gelderland telefonisch zijn bedreigd. Het ministerie van Justitie heeft al laten weten dat het niet blij is met het initiatief van de stichting, en dat betrokkenen via de rechter hun gegevens kunnen laten verwijderen. Maar wat tot dusver onderbelicht is gebleven, zijn de praktische bezwaren tegen dit soort websites.

Wij kunnen leren van de Verenigde Staten, waar sinds midden jaren negentig mensen het recht hebben op informatie over voormalig zedendelinquenten die in de buurt wonen. Vaak is deze informatie beschikbaar via websites. Volgens voorstanders kunnen burgers hun kinderen zo beter beschermen, helpt het de politie bij haar onderzoek en schrikt het potentiële zedendelinquenten af, zodat zij niet (nogmaals) een seksmisdrijf plegen.

Dit systeem functioneert echter niet optimaal. Ten eerste zijn voormalig zedendelinquenten weliswaar verplicht zich bij de politie te registreren in de plaats waar ze wonen, maar dit wordt lang niet altijd nageleefd. De informatie is dus vaak onbetrouwbaar. Bovendien is de preventieve functie van een dergelijke lijst allesbehalve aangetoond. Een veelgebruikt argument door voorstanders is bijvoorbeeld: eens een verkrachter, altijd een verkrachter. Dit is een misverstand. Hoewel het onmogelijk is precies te bepalen hoeveel voormalig zedendelinquenten in herhaling vallen, variëren de cijfers van ongeveer 3 procent tot bijna 30 procent. Nederlands onderzoek uit 1997 van het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Documentatiecentrum heeft aangetoond dat, in vergelijking met andere misdadigers, zedendelinquenten de kleinste kans op specifieke recidive (herhaling van dezelfde soort misdaad) hebben.

Uit onderzoeken, zoals dat van de Amerikaanse sociaal-wetenschapper Richard G. Zevitz uit 2006, blijkt vooralsnog dat het bekendmaken van de gegevens van ex-zedendelinquenten bovendien geen gunstig effect heeft op de kans dat zij nogmaals in de fout gaan. Er wordt zelfs gewaarschuwd voor een gevoel van schijnveiligheid, omdat burgers het idee kunnen krijgen dat ze veiliger zijn als ze weten voor wie ze op moeten passen. Zedendelicten kunnen niet voorkomen worden door publieke ‘pedoregisters’.

Het is belangrijk niet op alle mogelijke manieren de herintegratie van ex-delinquenten in de maatschappij te dwarsbomen. Als hun gegevens voor iedereen toegankelijk zijn, krijgen zij al gauw een label opgeplakt. Dit kan deze mensen de motivatie ontnemen zich als gewone burgers te gedragen. Zo wijst de Amerikaanse hoogleraar Justitieel Beleid Richard Tewksbury in 2005 op de negatieve gevolgen voor ex-zedendelinquenten als zij in een publiek register staan. Denk aan baanverlies, problemen bij het vinden of behouden van woonruimte, en intimidatie. Als ‘herintreders’ substantieel worden gehinderd in het opbouwen en onderhouden van een normaal leven, kan dat het risico vergroten dat ze in oude gewoonten vervallen. Delinquenten die een tweede kans krijgen, moeten het gevoel hebben dat ze kunnen veranderen, niet dat ze gedoemd zijn om te mislukken.

In plaats van een website te gebruiken, is het beter te proberen seksdelicten op andere manieren te voorkomen. Combineer bijvoorbeeld straffen met therapie en intensieve begeleiding bij vrijlating. Tot slot: het grootste deel van seksueel misbruik vindt plaats door familie en bekenden, dus vermijd een focus op ‘vreemde, vieze mannen’.

Esther van Ginneken studeert sociale wetenschappen aan het University College Utrecht.