Jouw probleem is ons probleem

Ben ik een beest, of komt het door de slechte verstandhouding met mijn vader?

Amateurpsychologie van de bovenste plank en of het klopt maakt helemaal niet uit.

Dit is echt gebeurd, want ik was erbij. Vier vriendinnen zitten op zaterdagmorgen in de auto, op weg naar een dagje sauna. Lekker ontspannen. Laten we ze A, B, C en D noemen.

Helaas, het ontspannen valt in de auto al tegen, als de doopceel van vriendin A wordt gelicht. Vriendin A zit in een datefase. Ze gaat de ene week uit met de een, de volgende week met een ander. A zucht. „Het lijkt wel alsof ik geen relatie meer dúrf aan te gaan.”

Dat is het sein voor de aanval. Vriendin B: „En tussen jou en je familie loopt het op het moment ook al slecht, natuurlijk.” Vriendin C: „Ja, A, misschien moet je toch zorgen dat je éérst zelf weer lekker in je vel zit.” Dan D: „Maar, A, heeft het ook niet met je nieuwe baan te maken? Ik bedoel, je bent net begonnen, je hebt gewoon de rust nog niet om je met relaties bezig te houden.”

De analyses zijn gemaakt, de vonnissen zijn geveld. Nog vóór de kleedkamer van de sauna is bereikt, is de volgende casus aan de beurt – en lekker nog de hele dag om alles nóg eens door te spreken.

Ze analyseren elkaar door en door – en dan liefst nog net iets verder. Natúúrlijk krijgt A geen vriend, als ze niet eerst met zichzelf tevreden is. Waarom ziet ze dat zelf toch niet in? En die onzekerheid komt vanzelfsprekend door haar ex, die haar op een niet al te charmante manier aan de kant zette. Doe dáár eerst eens iets aan, A.

We psychologiseren onze problemen – en het liefst die van anderen want anders komt het te dichtbij. Luister naar de vriendinnen: de grootste psychologen hebben het zelden over zichzelf. Of dat psychologiseren meer gebeurt dan vroeger, durft Boele de Raad, hoogleraar persoonlijkheidspsychologie, niet te zeggen, maar hij „vermoedt van wel”. Ook is de ‘emotionele’, of zoals De Raad het noemt, de „kleffe” manier van denken sinds de opkomst van de psychologie, ongeveer sinds de jaren zeventig, veel normaler geworden.

Hoe dat kan? Het lijkt in elk geval te passen in de medicalisering zoals die in de jaren zeventig opkwam: de neiging om van alles en nog wat te laten onderzoeken en voor alles direct professionele hulp te vragen. En sinds internet zijn medische én psychologische kennis alleen nog maar toegankelijker geworden.

In de tijd dat de psychologisering begon, en internet nog niet bestond, voerden weekbladen als Libelle en Viva het psychologische leesvoer aan. Ook daarin is de laatste jaren verandering gekomen. Begin deze eeuw kwamen tijdschriften als Happinez en Mind Magazine op. En dan was er al Psychologie Magazine, dat inmiddels een maandelijkse oplage heeft van ruim 107.000 exemplaren. Trouwens, ook in bijvoorbeeld Ouders van nu staan allerlei ‘recepten’ over hoe je tegen jouw gevoelens of die van je kind zou kunnen aankijken.

Nóg een oorzaak: we stappen zelf gemakkelijker naar een psycholoog. Het taboe rond psychotherapie is minder geworden, onder andere door een resultaatgerichtere samenleving. Niet lekker in je vel? Hup, zorg er dan voor dat die problemen snel weer verdwijnen. Tobben gaat immers ten koste van productiviteit, dus gooi er een cognitieve gedragstherapie tegenaan en alles werkt weer naar behoren.

En als we niet op internet speuren, geen psychologiebladen lezen én niet naar de therapie grijpen, is er altijd nog de onontkoombare televisiepsycholoog Dr. Phil, voor het dagelijkse shot psychoanalyse. Hij fluistert zijn kijkers in „dat ze voor zichzelf moeten kiezen”. Dus als jíj wel met je persoonlijke ontwikkeling bezig bent en je vriend niet, loopt er iets spaak, dat moet je zelf ook durven erkennen!

Vriendin C en D klinken als Dr. Phil als ze in de kroeg zitten met een wijntje. Vriendin B zou ook komen, maar is een uur te laat, doordat ze ruzie had met haar vriend. Onderdeel van hun probleem is dat B’s vriend „zelf het probleem niet zo ziet”.

En dus zegt C: „Ik zou me afvragen of zijn prioriteiten wel bij jou liggen.” D: „Of hij vindt het gewoon moeilijk om er over te praten. Dat komt vast omdat zijn ouders gescheiden zijn. Waarom heeft-ie anders zo’n moeite met zijn emoties tonen?”

Hebben deze gesprekken eigenlijk zin? De analyses hebben vaak een amateuristisch karakter, zegt Arie Dijkstra, hoogleraar sociale psychologie aan de universiteit van Groningen. Al is de kennis over vrienden of je partner groot, dat ene artikel uit Psychologie Magazine is niet voldoende voor een gedegen analyse.

Dijkstra: „De lezer dénkt er nu verstand van te hebben. De amateur voelt zich onterecht zeker: ‘Aha, dus daar heeft-ie last van’.” De gesprekken lijken zelfs op psychologische gesprekstechnieken: „Maar wat zégt deze ruzie dan over jouw gevoelens?”

Bovendien, zegt hoogleraar Boele de Raad, nemen mensen die de problemen van hun gesprekspartner psychologiseren, die problemen eigenlijk niet serieus. Het is onbeleefd, zegt hij: „Emoties van een ander bijna bij voorbaat toeschrijven aan zijn achtergrond, of andere achterliggende oorzaken, dat klopt niet.” Luister liever naar wat diegene precies zegt, „in plaats van het probleem vast te leggen op onverwerkte emoties en te plaatsen in het beeld dat jij hebt van diegene”.

Maar er is een andere reden waarom het benoemen en analyseren van gevoelens smullen is geblazen voor de vriendinnen: ze vinden daarin een manier om elkaar beter te begrijpen, op een rationelere manier dan primair over gevoelens spreken.

„We willen onszelf graag begrijpen”, zegt Dijkstra. „Waarom werd ik kwaad? Ben ik een beest, of komt het door de slechte verstandhouding met mijn vader?” In een relatie, met vrienden of een partner, hebben mensen ook de behoefte elkaars gedrag te begrijpen. Of die analyse vervolgens klopt, maakt vaak niet eens uit, zegt Dijkstra. Als we het maar eens worden over de oorzaak.

Daarbij bestaat een bepaald beeld van wat gezellig is, of wat dat zou moeten zijn. „De norm is om geanimeerde gesprekken met elkaar te voeren, in de kroeg of onder het eten. En over welk onderwerp praten we gemakkelijker dan over onszelf?”, zegt Dijkstra. Hij schetst het schrikbeeld van het beruchte oudere stel in een restaurant, dat elkaar niets meer te vertellen heeft en zwijgend het hoofdgerecht wegwerkt. Dat willen we niet, want dat is niet gezellig.

Dus analyseren we lekker door: het hoort er tenslotte bij. „En het leuke is ook dat iedereen kan meedoen, want een psyche hebben we allemaal”, zegt Dijkstra. En als je op een avond wel de kroeg in wilt, maar geen lijdend voorwerp van diepzinnige analyses wilt worden?

Dan zit er niets anders op dat te doen wat je niet wilt: benoemen. „Ik merk dat we elkaar zitten te analyseren, daar wil ik niet in terechtkomen. Maar hoe gaat het nou echt met jou?”