Geen kans op 'Britse toestanden' in Nederland

De arbeidsmarkt is nog zo krap dat er geen strijd om werk komt tussen Nederlandse en buitenlandse werknemers, zeggen bonden en werkgevers.

„Problemen? Met Polen?” Adrie Geers stopt even met het aftekenen van een isolerende gipsplaat en moet lachen om de vraag. „Ik werk vaak met Poolse collega’s. En daar heb je goeie en slechte bij, zoals met iedereen. Maar een gevecht om banen, nee hoor. Hier niet.”

In een steegje in Gouda werkt hij aan de restauratie van een oud huisje met trapgevel. Alleen de buitenmuren en een paar dragende balken zijn nog over, en het dak is bijna weer dicht. Geers vertelt dat buitenlandse werknemers op dit moment geen issue zijn. Niet in de bouw, waar hij werkt. En ook niet in de tuinbouw. Geers woont een paar kilometer verder in Boskoop, en daar werken enkele honderden Polen in de kwekerijen. „Tot ieders tevredenheid.’’

Een rondgang langs bouwplaatsen in het centrum van Gouda, waar je overdag altijd Poolse nummerplaten ziet, bevestigt dit beeld. „Ik ben niet bang voor mijn baan,’’ zeggen de twee mannen in een keet bij de oude brandweerkazerne. „Het is moeilijk communiceren met die Polen, je kunt een aantal dingen niet goed uitleggen. Maar het zijn wel harde werkers. Ze doen de zware klussen.’’

Even verderop, aan de Turfmarkt, werkt een groepje Polen in een groot pand dat van binnen helemaal gestript is. Met handen en voeten en wat Duitse klanken maken ze duidelijk dat ze het naar hun zin hebben en op geen enkele manier scheef aangekeken worden. Net als veel leden van hun familie wonen ze al jaren in Nederland: zes weken werken, twee weken naar Polen, en dan weer terug. Maar namen geven, dat maar niet. Daarvoor moet ik de baas bellen, Halit, een Turkse Nederlander. Maar die belt niet terug.

VNO-NCW en FNV bevestigen dat ‘Britse toestanden’ onwaarschijnlijk zijn in Nederland. Daar is geen enkel signaal voor, zeggen de werkgevers. Inderdaad, beaamt de vakbond, want de groep arbeidsmigranten is hier lang niet zo groot als in Engeland. Bovendien is er vooralsnog werk genoeg. Daarom is niet te verwachten dat er een strijd om banen ontstaat.

Vrijwel unisono zeggen werkgeversorganisatie en vakbond dat de nadruk ligt op het voorkomen van protectionisme, het instandhouden van de bestaande werkgelegenheid via werktijdsverkorting, en als er toch ontslagen moeten vallen, mensen zo snel mogelijk aan een nieuwe baan helpen via mobiliteitscentra en scholing.

Caroline Rietbergen, beleidsadviseur Arbeidsmarktbeleid en Sociale Zekerheid van de FNV, wijst erop dat er nog steeds veel vraag naar werk is in de land- en tuinbouw, de bollensector bijvoorbeeld. „Die sectoren zijn niet erg conjunctuurgevoelig. In de bouw en de metaal ligt alles op zijn gat. Maar ook in onderwijs en zorg zijn vacatures zat.’’

Ook volgens Roelf van der Kooij, woordvoerder VNO-NCW, is de situatie in Nederland wezenlijk anders. „Hier hebben we nog altijd te maken met een krappe arbeidsmarkt en een relatief lage werkloosheid. De Polen en werkers uit andere landen zijn blijkbaar nog altijd nodig om in de behoefte aan werknemers te voorzien.’’ Verder speelt een rol dat Den Haag de drempels voor Roemenen en Bulgaren voorlopig niet wegneemt.

Volgens een recente schatting van het ministerie van Sociale Zaken zijn er ongeveer 100.000 ‘moelanders’ (Midden- en Oost-Europeanen) werkzaam in Nederland. „Wij denken dat het werkelijke aantal twee keer zo groot is,’’ zegt Rietbergen. „Maar toch zijn het relatief kleine aantallen. Bovendien, als er geen werk meer is trekken die Polen weg. Het zijn werkers, die zullen hier niet op een uitkering gaan zitten.’’ Daarom verwacht ook zij geen problemen op dit punt. „Maar het kan natuurlijk altijd. Rita Verdonk heeft niet voor niets zo’n grote aanhang.’’