Geen eenheid zonder afval

Er moet in de sociologie de een of andere wet bestaan – en zo niet, dan wordt zij hierbij afgekondigd – die wil dat de leider van een collectiviteit – club, staat of kerk – meer waarde hecht aan het behoud van eenheid en cohesie binnen die collectiviteit dan aan de betrekkingen met de buitenwereld. (In zekere zin versterkt een vijandige buitenwereld zelfs de cohesie binnen de collectiviteit.)

Paus Benedictus XVI bevestigt als ’t ware die wet. Zijn besluit de excommunicatie van de groep rond de afvallige bisschop Lefeb-vre ongedaan te maken en daarmee dit schisma op te heffen, is genomen zonder rekening te houden met de reacties van de buitenwereld, in het bijzonder van de joodse gemeenschap.

Dat laatste vooral is kras omdat een van de vier bisschoppen die Lefebvre nog vóór zijn dood heeft gewijd, de Brit Williamson, ontkent dat in de Tweede Wereldoorlog zes miljoen joden zijn vermoord (hij beweert overigens ook dat de aanval op de New Yorkse Twin Towers op 11 september 2001 niet het werk was van moslimterroristen, maar van de CIA). Vooral de wederopneming van deze zonderling heeft verontwaardiging alom gewekt.

Nu heeft het Vaticaan, geschrokken van die reacties, de verklaring afgegeven dat de reballotage van de dissidenten ervan afhankelijk is of zij de resultaten van Vaticanum II (het Tweede Vaticaanse Concilie van 1962-1965, dat allerlei hervormingen invoerde) erkennen. En wat Williamson betreft: de paus zou, op het ogenblik van zijn besluit tot de-excommunicatie, niet bekend zijn geweest met zijn vreemde ideeën.

Hierbij twee aantekeningen. In de eerste plaats had de paus zelf al twijfel geuit over Vaticanum II. Zo schreef hij in zijn Herinneringen: „Ik geloof dat de crisis die wij thans in de kerk beleven, in belangrijke mate te maken heeft met de ontaarding van de liturgie.” Hij verwijst hier naar de afschaffing van de Latijnse mis (die hij inmiddels weer toegelaten heeft).

Hier wil ik een goed woordje voor de paus inlassen: de afschaffing van de Latijnse mis is inderdaad een fout van de kerk geweest. Zij beschouwt zich als een corpus mysticum, en elk mysterie vereist een geheimtaal. De gelovigen voelen dan, ook (of zelfs: juist) wanneer zij die taal niet verstaan, des te meer deel te hebben aan het mysterie. Een mis in eigen taal maakt hen tot gewone mensen.

Terug naar de paus zelf. Met zijn twijfel omtrent Vaticanum II staat hij dichterbij de afvallige bisschoppen, die dit geheel afwijzen, dan bij de hervormingsgezinden in zijn kerk, maar als „dienaar der eenheid” (zoals hij zichzelf noemt) kan hij geen schisma dulden.

Hij kent de gedachten van de groep rondom wijlen bisschop Lefebvre heel goed, want hij heeft in 1988, toen hij nog prefect van de congregatie van de geloofsleer was, met hem onderhandeld (zonder succes overigens). Het klinkt daarom onwaarschijnlijk wanneer hij nu laat zeggen niets van Williamsons waanzinnige ideeën te hebben geweten. Of is dit het zoveelste bewijs van de wereldvreemdheid van deze studeerkamergeleerde?

Hoe dit ook zij – na zijn rede in Regensburg in 2006, waarmee hij de moslimwereld voor het hoofd stootte, heeft hij nu de joden, en allen die met hen solidair zijn, beledigd. En alles voor niets misschien. Het moet immers nog blijken of de dissidenten de eis van volledige erkenning van Vaticanum II zullen aanvaarden. Daarmee zouden zij de reden van hun bestaan opgeven. Williamson heeft intussen verklaard niet op korte termijn bereid te zijn zijn uitspraken te herroepen.

De ophef die de paus ook in eigen kerk met zijn uitspraken en beslissingen heeft veroorzaakt, moet voor hem nog het meest teleurstellende zijn. Daaruit blijkt dat de hervormingen van Vaticanum II bij de gelovigen toch meer steun vinden dan hij, die de wereld niet tot zich laat doordringen, wellicht verwacht. Of zou hij die steun zien als een bevestiging van zijn vrees voor het ‘modernisme’ en de ‘dictatuur van het relativisme’, die hij een groter gevaar lijkt te achten dan de ideeën van de ultraconservatieve dissidenten, wie hij de hand toesteekt?

Sommigen hebben vroeger al gesproken van een ‘protestantisering’ van de rooms-katholieken. Die term is onjuist voor zoverre die ontwikkeling niet het resultaat is van protestantse zendingsijver, die niet bestaat (althans in Europa). Maar het leven in een geseculariseerde samenleving heeft vele rooms-katholieken niet onaangetast gelaten, en in zoverre als secularisering de vrucht is van het protestantisme (meer dan van het rooms-katholicisme in elk geval), is die term niet onjuist. Het ontstaan van het CDA is in zekere zin uiting van dit verschijnsel. De paus moet dit opgeven van de rooms-katholieke identiteit in politicis een gruwel zijn geweest.

Volgens de theoloog Jean-Pierre Wils, die om de wedertoelating van Williamson de kerk verliet, heeft de paus vermoedelijk het grotendeels geseculariseerde Europa al opgegeven (interview in de Volkskrant, 2 februari). Als dat waar is, dan zou het ijveren van de paus voor het behoud van de eenheid averechts werken.

p 2 december 1991 schreef de godsdienstsocioloog pater Walter Goddijn in deze krant: „De vraag is eigenlijk: hoe een systeem te hervormen zonder schisma?” Moet de vraag onder paus Benedictus, die weinig van hervormingen wil weten, niet veeleer luiden: hoe de eenheid te behouden zonder de afval te riskeren van talloze verlichte gelovigen, waartegen de terugkeer van een traditionalistische sekte van zo’n 150.000 volgelingen getalsmatig niet opweegt?

Wilt u reageren? Mail de auteur via dezerdagen@nrc.nl op plaats een reactie op nrc.nl/heldring