Een leven lang tussen het Romeins glas

Direct na oorlog ging ze archeologie studeren en nog altijd is ze actief in de wetenschap. Ina Isings werd gisteren 90 jaar. Maar erg bijzonder vindt ze dat zelf niet.

„Oud worden is gewoon een biologisch proces.” Net deze week negentig geworden maakt Romeins glas-expert professor Ina Isings meteen duidelijk dat ze zelf die negentigste verjaardag niet bijzonder vindt. Ook is het voor haar normaal dat ze nog steeds drie dagen in de week in Utrecht is om oude opgravingen uit te werken en aan wetenschappelijke publicaties te werken.

Ze vindt het belangrijker om te vertellen over de collectie van het achttiende-eeuwse Provinciaal Utrechts Genootschap (PUG), die ze sinds 1961 beheert en die nu gered moet worden.

Toeval, of zoals Isings zelf meent ‘omdat het leven toch geleid wordt’, heeft er voor gezorgd dat ze een internationaal befaamd Romeins glasdeskundige is geworden. „Ik was het liefst egyptologie gaan studeren, maar dat kon alleen in Leiden. Dan had ik op kamers gemoeten en dat kon ik niet betalen.” Op en neer reizen van haar woonplaats Soest naar Utrecht kon financieel wel en dus viel de keuze op kunstgeschiedenis en klassieke archeologie.

Ze was al 26 toen ze in 1945 ging studeren. Haar middelbare school had ze niet kunnen afmaken, omdat haar vader, de tekenaar van de bekende historische schoolplaten, haar op haar zeventiende van het Baarnsch Lyceum had gehaald. „Hij nam altijd mijn hele boekenlijst door. In een bloemlezing van de Tachtigers zag hij een passage die je volgens hem niet aan zeventienjarige meisjes ter hand moest stellen. Ik weet nog steeds niet waar het nou precies om ging.”

Ze hield haar kennis bij door onder andere regelmatig historische boeken uit haar vaders tas te plukken. „Op mijn vierentwintigste heb ik staatsexamen gedaan.”

Romeins glas kwam op haar pad toen het Rotterdamse Museum Boijmans aan haar hoogleraar vroeg of hij niet een student had die een collectie Romeins glas uit het Nabije Oosten kon beschrijven. „Ik wist van niets, want we hadden alleen maar Griekse kunst behandeld. Maar, weet u, alle wetenschap is nieuwsgierigheid.”

Isings verdiepte zich in de materie en merkte dat er voor Romeins glas geen goede beschrijving bestond die datering mogelijk maakte. Ze besloot haar proefschrift hieraan te wijden. „Van begeleiding was geen sprake. Je deed je onderzoek, schreef je proefschrift en als het klaar was, leverde je het in.”

Voor haar onderzoek trok Isings begin jaren vijftig langs vele Europese archeologische collecties. „In Napels was de bekende Mauri erg hoffelijk, voor mij als jonge vrouw. Hij gaf me een assistent die alle vitrines in de zalen van het Nationaal Archeologisch Museum voor me opende. Het meeste glas kwam uit Pompeii en dat leverde voor een aantal typen een goede terminus ante quem op.” Wat wil zeggen dat dat glaswerk vóór het jaar 79 gemaakt is. In Duitsland trof ze steden als Keulen en Trier nog in puin aan. „Over de oorlog spraken we niet. Dat lieten we in het midden,” zegt ze over haar contacten met Duitse archeologen.

In haar proefschrift Roman glass from dated finds uit 1957 onderscheidde Isings 134 glasvormen. „Het is nu wel verouderd”, zegt ze, terwijl ze haar eigen exemplaar tevoorschijn haalt. Het is een proefdruk in een multoband, met in de kantlijnen latere aantekeningen en aanvullingen. Het boek geldt internationaal nog steeds als een standaardwerk. Een typeaanduiding als ‘een Isings 89’ is nog altijd heel normaal.

Anders dan veel klassiek archeologen, die alleen maar kunsthistorisch bezig waren, maakte Isings ook vuile handen door zelf op te graven. „Begin jaren vijftig, toen ik een bijbaan bij de archeologische rijksdienst had, mocht ik als vrouw niet in het veld graven, omdat anders de arbeiders die het zware graafwerk deden van slag zouden raken. Later heb ik het alsnog in de praktijk geleerd.”

Ze groef alleen op in de omgeving van Utrecht, onder meer het Romeinse legerkamp in De Meern. Het budget van de universiteit liet geen verre opgravingscampagnes toe en zo kon ze ook voor haar vader en zus blijven zorgen. „We wilden zoveel mogelijk van de Limes, de Romeinse rijksgrens, vinden.”

Het grootste deel van de ongeveer 10.000 archeologische vondsten in de PUG-collectie, die Isings al 48 jaar onbezoldigd beheert en inventariseert, is ook afkomstig uit opgravingen van Romeinse vindplaatsen in de provincie Utrecht. De voorwerpen en de oude vitrines staan al jaren in een ruimte in de Fundatie van Renswoude, een instituut naast het Centraal Museum in Utrecht. „In het begin had ik hier geen water en verwarming.”

Binnenkort zal de collectie moeten verhuizen, maar het is nog niet duidelijk waarheen. De gemeente Utrecht, sinds 1995 eigenaar van de collectie, is op zoek naar een nieuw onderkomen. Medewerkers van de gemeentelijke afdeling Cultuurhistorie hebben wel al zoveel mogelijk van Isings’ herinneringen en kennis over bepaalde voorwerpen met digitale geluidsapparatuur vastgelegd.

Dat is maar goed ook, zegt ze zelf. „Mijn geheugen begint me soms een beetje in de steek te laten.” Ze heeft wel nog een wens: „Dat de publicatie van de Rijksdienst over Dorestad nog voor mijn dood verschijnt. Ik heb mijn hoofdstuk over het vroegmiddeleeuwse glas al in 1996 ingeleverd.”