Bedoeld voor op aarde

Nederland stopt jaarlijks 99 miljoen euro in de Europese ruimtevaartorganisatie ESA.

Maar als de ESA niet wil achterlopen bij de NASA, dan moet de structuur anders.

Als wereldkampioen Formule 1 Lewis Hamilton volgend jaar door de straten van Monaco scheurt, kunnen gamers over de hele wereld het virtueel tegen hem opnemen. Met een eigen virtuele auto kan de speler op afstand, via internet, aan de race ‘deelnemen’.

De technologie die de realiteit van het circuit omzet naar de virtuele wereld, is een vinding van het Nederlandse bedrijf iOpener. Het European Space Agency (ESA) hielp het bedrijf bij de ontwikkeling ervan.

Op het circuit in Zolder wordt alles nog eens getest. In drie omgebouwde Audi’s razen de eigenaren van iOpener over het parcours. De apparatuur registreert de bewegingen van de auto’s en verstuurt deze gegevens naar de controlekamer. Daar worden ze opgenomen in een computerspel.

De vinding van iOpener is een speels voorbeeld van toegepaste ruimtevaarttechnologie. Frank Salzgeber, hoofd technologietransfers van de ruimtevaartorganisatie, wijst graag op de bijvangst van het ruimtevaartprogramma. „Wij leverden bijdragen aan de ontwikkeling van zonnecellen en de airbag, en in de auto-industrie gebruikt men onze robotarmen.” Ook droeg ESA bij aan de ontwikkeling van een prothese voor een paralympische verspringer en aan Galileo, een Europees alternatief voor de Amerikaanse GPS.

Ook Nederland gebruikt iOpener graag als uithangbord voor haar ruimtevaartbeleid. Critici klagen dat de dure ruimtevaart te weinig oplevert. Adviesbureau Berenschot velde een negatief oordeel over het ruimtevaartbeleid. In een onderzoek in opdracht van het ministerie van Economische Zaken stellen de onderzoekers dat de maatschappelijke toepassingen „onvoldoende” zijn. Ook vond Berenschot dat de Nederlandse industrie achter de ruimtevaart „te klein en te versnipperd” blijft.

Als reactie op de kritiek richtte Economische Zaken het Netherlands Space Office (NSO) op. Het bureau ging op 1 februari officieus van start, en verenigt de verschillende betrokkenen, zoals vertegenwoordigers van de wetenschap, de industrie en de gebruikers. Met het nieuwe NSO hoopt Economische Zaken dat investeringen in de ruimtevaart vruchtbaarder zullen worden. Volgens NSO-directeur Ger Nieuwpoort moet het beter kunnen. „De kennisoverdracht was tot nog toe absoluut onvoldoende.” Overdracht van kennis behoort, naast klimaatonderzoek en zuiver wetenschappelijk onderzoek, tot de belangrijkste doelstellingen van het ruimtevaartbeleid.

Het Nederlandse ruimtevaartbeleid staat in feite voor de deelname aan ESA-projecten. Zeventig procent van het Nederlandse ruimtevaartbudget gaat naar ESA. Eigen projecten zijn onbetaalbaar voor een klein land als Nederland. De ESA-leden dragen gezamenlijk bij aan een verplicht programma, en beslissen daarnaast zelf aan welke bijkomende programma’s ze deelnemen. De ruimtevaartorganisatie krijgt in 2009 3,6 miljard euro, 99 miljoen komt uit Nederland. De verplichte bijdrage van Nederland voor de periode 2009-2013 bedraagt 175 miljoen euro. Daarnaast geeft Nederland 234 miljoen euro aan bijkomende programma’s. De extra inspanningen betreffen voornamelijk aardobservatie en telecommunicatie, deelname aan de bouw van een Marslander en een shuttle voor het internationale ruimtestation ISS (International Space Station).

„De toekomst van de Nederlandse ruimtevaart ligt bij de ESA”, zegt Nieuwpoort: „Zonder Europese samenwerking zou een project als Galileo nooit mogelijk geweest zijn. Maar de nationale verdeeldheid van de organisatie is een probleem.”

Onderzoekscentra liggen verspreid over Europa. Beslissingen moeten door verschillende nationale politici genomen worden. En binnen ESA geldt het principe van de ‘georeturn’: ESA is verplicht om in iedere lidstaat hetzelfde bedrag aan opdrachten uit te besteden als het van die lidstaten ontvangt. „Zo krijg je niet altijd de beste kwaliteit voor de beste prijs. Het was de enige manier waarop de ESA ooit kon ontstaan. Maar als die organisatie niet achterop wil raken bij de NASA, moet het haar structuur overdenken.”

Niels Eldering, manager bij de ESA Business Incubation, wijst erop dat de maatschappelijke nut van de ruimtevaart niet de belangrijkste verantwoordelijkheid van ESA is. „Wij zijn enkel een verbinding tussen technologie en toepassingen. We laten wetenschappers en ingenieurs rustig hun werk doen. Als we handige dingetjes zien nemen we die op in een portfolio om ze aan de man te brengen.”

Het is aan de lidstaten zelf om het maximum te halen uit hun samenwerking met ESA, zegt Eldering. „Misschien is het Nederlandse poldermodel daar niet het meest geschikt voor. De overheid stuurt hier de innovaties meer dan bijvoorbeeld in Frankrijk, waar commerciële brokers de link met de industrie leggen. Elk land moet voor zichzelf uitmaken wat het beste werkt.”