Zeg maar

Mensen willen in het leven altijd graag een slag om de arm houden. O wee als je ergens aan gehouden zou kunnen worden. Dat uit zich dus ook in de taal. Politici proberen bijvoorbeeld zo vaak mogelijk ‘in die zin’ te gebruiken, zodat duidelijk is dat hun uitspraken nooit gegeneraliseerd kunnen worden naar andere gevallen.

Gewone mensen houden op een andere manier een slag om de arm. Wat je bij, schat ik, tachtig procent van de bevolking zeker eens per drie zinnen hoort is ‘zeg maar’. ‘Zeg maar’ betekent ‘we zeggen het nu even zo, maar eigenlijk zou het net zo goed anders kunnen zijn’. En dat is handig: „We hadden zeg maar een feestje.” Als iemand gepikeerd reageert („Waarom ben ik niet uitgenodigd?”) kun je altijd nog snel zeggen: „Nou ja, feestje, feestje, het was meer dat we samen televisie hebben gekeken.” Het is een slag om de arm van niks, maar toch geeft het een veilig gevoel.

De zeg maar-zeggers (en wees maar eerlijk, dat zijn we bijna allemaal) kun je trouwens ook nog opdelen in de puristen en de creatieven. De puristen zeggen letterlijk ‘zeg maar’, en de creatieven maken er zelf iets soortgelijks van, meestal ‘lawezeggen’ of ‘lamazeggen’.

Verwant aan ‘zeg maar’ is ‘als het ware’, dat betekent: het is niet echt zo, alleen maar bijna. „We zijn als het ware gaan langlaufen.” Waarschijnlijk wordt toch echt bedoeld dat er gewoon gelanglauft werd, maar het ‘als het ware’ vult de zin lekker op.

Ik ken iemand die zich zo ergerde aan ‘zeg maar’, dat hij na elke ‘zeg maar’ ook echt ging zeggen wat de ander zei. Zei iemand: „Ik hou zeg maar best wel van augurken”, dan riep hij snel: „Best wel van augurken. Je zei toch: ‘zeg maar’?” Niemand begreep hem. ‘Zeg maar’ is zo gewoon geworden dat je het jezelf zeg maar niet meer hoort zeggen.