Hoe God overbodig werd door de evolutietheorie

Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis.

Vandaag: de verhouding tussen evolutie en geloof.

‘Geloof in Darwin én God kon in 1859 best’ kopte nrc.next eind vorige maand boven een interview met historicus Bart Leeuwenburgh, die onlangs promoveerde op de historische ontwikkeling van het debat over de evolutietheorie van Charles Darwin. Volgens Leeuwenburgh werd de discussie over evolutie en religie vlak na de publicatie van On the Origin of Species in 1859 gedomineerd door „gematigde geleerden”, onder wie Darwin zelf: „Ik denk niet dat Darwin atheïst was”, zegt Leeuwenburgh, „maar zoals hij zelf in zijn autobiografie schreef: eerder deïst of agnost”. Pas later „radicaliseerde” het debat, stelt de historicus. „Vanaf 1868 stond de materialistische atheïst tegenover de orthodoxe gelovige.”

Het opvallendste woord dat Leeuwenburgh hier gebruikt is ‘radicaliseerde’. Want hoewel hij erkent dat een botsing tussen Darwins boek en een letterlijke lezing van de bijbel onvermijdelijk was, suggereert Leeuwenburgh met die term dat het beschouwen van de evolutietheorie als onverenigbaar met God een ‘extreme’ lezing zou zijn van Darwins these – en dat een ‘gematigde’ interpretatie het bestaan van God acceptabel zou achten.

Het zou kunnen zijn dat het debat steeds radicaler van toon werd naarmate meer atheïsten Darwins theorie aangrepen om hun ongeloof te rechtvaardigen. Maar uit filosofisch perspectief is Leeuwenburghs woordkeus enigszins misleidend. Het wereldbeeld achter de evolutietheorie staat namelijk op fundamenteel niveau wel degelijk op gespannen voet met het geloof in God zoals de meeste godsdiensten dat prediken.

Nu moet hier voorop worden gesteld dat de evolutietheorie het bestaan van een God geenszins uitsluit. In die zin is geloof in God én evolutie dus mogelijk, maar alleen op een manier die niet erg veelzeggend is: het bestaan van God is aantoonbaar noch falsifieerbaar en dus in principe met iedere theorie te verenigen. God is immers altijd te poneren als geloofsartikel (‘Hij bestaat’); het maakt dan niks uit welke theorie je aan dat geloof vastplakt.

Maar dit gegeven maakt van God en evolutie nog geen gelukkig huwelijk, en een doctrine die beide wereldbeelden bij elkaar probeert te brengen ook zeker geen ‘gematigde’ uitleg van Darwins theorie, zoals Leeuwenburgh suggereert.

De evolutietheorie staat namelijk haaks op twee cruciale aannames die het geloof in God met zich meebrengt. Ten eerste gaat geloof in God altijd gepaard met de veronderstelling dat het leven ontstaan (of beter: geschapen) is met een bepaalde bedoeling. Iedere monotheïstische godsdienst is gebaseerd op de premisse dat het universum en de aarde deel uitmaken van een ‘plan’. En specifieker: dat de mens een speciale plaats inneemt in dat plan.

De inhoud van het plan varieert sterk – van gehoorzaamheid aan God tot Verlossing op aarde of in een hiernamaals – maar de essentie blijft hetzelfde: het leven beweegt ergens naartoe. Zowel het christendom, het jodendom als de islam stellen daarom dat de mens naast een dierlijk ook een goddelijk deel in zich heeft; een deel dat getuigt van het bestaan van een hogere, immateriële wereld, waar het leven uiteindelijk in uitmondt mits het ‘rechtvaardig’ wordt geleefd.

Deze tweedeling tussen het aardse en het goddelijke, waarmee aan het bestaan een reden kan worden toegeschreven, is overigens al ouder dan de meeste hedendaagse religies. Ook de Griekse wijsgeer Plato (427-347 v. Chr.) beschouwde de mens als een uniek wezen dat in staat was om zich (deels) toegang te verschaffen tot een onzichtbare ‘wereld der ideeën’. In die wereld was de essentie van het leven te vinden, zoals de definitie van ‘het Goede’ en ‘het Ware’.

De functie hiervan was, zoals de Amerikaanse filosoof Richard Rorty (1931-2007) het formuleerde, om de mens „uitzicht te bieden op verlossing van tijd en toeval” door hem een wereld voor te spiegelen waar alles absoluut en betekenisvol was. Plato’s ideeënwereld kan dan ook worden beschouwd als de seculiere voorloper van het concept ‘hemel’, dat later door iedere grote religie werd overgenomen en geromantiseerd.

Het idee dat het bestaan een (hoger) doel heeft, is in de meeste delen van de wereld ruim 2.200 jaar gemeengoed geweest. De Poolse astronoom Nicolaus Copernicus (1473-1543) bracht het idee wel aan het wankelen toen hij aantoonde dat de aarde niet het middelpunt van het universum was. Maar de gedachte dat de mens ‘uitverkoren’ was – om God te dienen, of zoals Plato stelde: de Waarheid te vinden – bleef hardnekkig voortbestaan. De Britse filosoof Thomas Hobbes (1588-1679) probeerde later als een van de eerste denkers te beargumenteren dat het leven en de mens slechts toevallige producten waren van willekeurig bijeengekomen deeltjes, maar zijn visie werd weggehoond als een perverse poging om mensen te degraderen tot niets meer dan beesten.

De grote omslag in het denken vond pas plaats door de publicatie van On the Origin of Species. Darwin maakte met zijn verklaring voor het ontstaan van zoveel verschillende levensvormen – waarvan de mens slechts een variant was – voor het eerst echt aannemelijk dat de natuur geen ‘hoger doel’ nastreefde. Of zoals Rorty het formuleerde: de evolutietheorie maakte plausibel dat het bestaan „niks in gedachten had”.

Darwin verving namelijk op overtuigende wijze het onbewijsbare bestaan van een ‘goddelijk plan’ door een simpel aantoonbaar natuurlijk mechanisme: aanpassing aan de omgeving. Het doel van het leven, voor zover hier nog van een ‘doel’ kan worden gesproken, was volgens Darwin simpelweg dat iedere levensvorm een dusdanige beheersing van zijn omstandigheden nastreefde dat de kans op overleving zo groot mogelijk werd. Of simpeler gezegd: het doel van het bestaan was voortbestaan.

Darwins theorie maakte van God niet zozeer een onaannemelijke als wel een overbodige hypothese. Het leven had immers geen hoger doel voor ogen en dus ook geen hoger wezen nodig die dat doel kon verschaffen. Door de evolutietheorie stond de mens er plotseling alleen voor: hij moest het leven zelf ‘zin’ geven zonder een beroep te kunnen doen op de zingeving van een bovennatuurlijke entiteit. De hypothese dat het verschil tussen mensen en dieren het bestaan van zo’n entiteit aantoonde, zoals de meest gelovigen tot op de dag van vandaag beweren, werd door Darwin zeer onwaarschijnlijk gemaakt. Dat mensen een hoger zelfbewustzijn en een complexere taal tot hun beschikking hebben dan dieren, was geen kwestie van ‘goddelijke’ eigenschappen, maar een kwestie van evolutie: het waren de resultaten van een steeds betere aanpassing aan de omstandigheden door het menselijke soort.

Daarmee kwam ook de tweede aanname die altijd gepaard gaat met het geloof in God op losse schroeven te staan, namelijk dat zoiets complex als het leven, de natuur of de mens alleen kan worden verklaard door het bestaan van iets complexers, zoals God. Deze gedachte heeft het denken eeuwenlang gedomineerd en wordt nu nog verdedigd door aanhangers van de Intelligent Design-theorie: het bestaan zou te ingewikkeld zijn om voortgekomen te kunnen zijn uit iets simpels. Immers, een computer kan ook nooit intelligenter zijn dan de mens die hem heeft gemaakt.

Darwins theorie heeft deze aanname ondubbelzinnig gefalsificeerd: de evolutie toont aan dat uit simpele wezens (zoals eencelligen) na verloop van miljoenen jaren wel degelijk zeer complexe varianten kunnen ontstaan, doordat gemiddeld genomen alleen de meest aangepaste en dus ‘verbeterde’ soorten overleven. Vanuit evolutionair perspectief bekeken staat God dus precies aan de verkeerde kant van de tijd: een übercomplex wezen als God zou niet het begin van alles kunnen zijn, maar op z’n hoogst het einde – het perfecte resultaat van de evolutie.

Overigens zou geen enkele evolutiebioloog deze conclusie willen trekken, omdat de evolutie niet wordt beschouwd als eindig. De ontwikkeling van soorten zal eindeloos door blijven gaan. Dat maakt God dan ook overbodig: het bestaan gaat nergens heen.

Problematisch blijft echter wel dat er nog geen aannemelijke theorie bestaat over hoe het bestaan ooit begonnen is. Dat is dan ook precies de reden waarom de evolutietheorie geloof in God nooit helemaal weg heeft kunnen nemen. De vraag blijft immers hoe alles ooit is ontstaan.

Verlichtingsdenker Immanuel Kant (1724-1804) beschouwde die vraag als onbeantwoordbaar, omdat een mens niet „buiten tijd en ruimte” kan denken; alles wat een mens denkt wordt automatisch in een tijd en een ruimte geplaatst. Daardoor leidt de vraag naar het ‘begin’ van de tijd en het ‘ontstaan’ van de ruimte volgens Kant onherroepelijk tot een oneindige regressie: je kunt altijd weer de vraag stellen hoe dat ‘begin’ dan begon, en van waaruit dat ‘ontstaan’ dan ontstond.

Het begin van het bestaan zal vermoedelijk dus een vraagteken blijven. Maar wat de mens wel kan doen, is blij zijn dát het ooit is begonnen en hopen dat het nog lang voort zal gaan. En waarhéén, dat bepalen we zelf. Met dank aan Charles Darwin.