Het is tijd voor daadkracht van de Europese regeringsleiders

De Europese leiders wedijveren in het oproepen van het meest apocalyptische beeld van de huidige crisis: „erger dan oorlog”, „eenmaal per eeuw” en „calamiteit zonder weerga” zijn een paar van de uitdrukkingen die de laatste tijd zijn gebezigd. Maar geconfronteerd met een stijgende werkloosheid, een krimpende productie en haperende bestedingen contrasteert deze retoriek hevig met de betrekkelijk behoedzame aanpak bij het aankondigen van stimuleringspakketten tegen de crisis.

De Amerikaanse president Barack Obama is duidelijk doordrongen van de noodzaak om nu snel actie te ondernemen. Maar de leiders van de Europese Unie lijken zich tevreden te stellen met het lenigen van de onmiddellijke nood van de sectoren die het zichtbaarst in problemen verkeren – zoals banken of autoproducenten – terwijl ze duimen dat hun conservatieve handelwijze de economie op de langere termijn zal hervormen.

Iedere week brengt echter nieuwe cijfers waaruit blijkt dat de recessie de bodem nog lang niet heeft bereikt. Snelheid en substantie zijn van het grootste belang als het gaat om het aanpakken van wat overduidelijk een zich steeds verder verdiepende crisis is. De Duitse industriële productie is in het laatste kwartaal van 2008 met meer dan 7 procent op jaarbasis gedaald – de zwaarste val sinds 1948 – en de Franse maar liefst met 9 procent. Sommige regeringen van EU-lidstaten zouden zelfs met deze cijfers nog blij zijn. De Spaanse industriële productie is in december op jaarbasis met 20 procent achteruit gehold, en die van Italië met 14 procent.

De eurozone zal al in mei of juni van dit jaar met deflatie te maken krijgen. De sociale cohesie zal onder druk komen te staan als Europese werknemers, die het gevoel hebben te moeten opdraaien voor de strapatsen van Amerikaanse bankiers, tot de slotsom komen dat ze beduveld worden met zuinige reddingsoperaties, bescheiden programma’s van overheidsinvesteringen en belastingprikkels die op z’n vroegst pas volgend jaar effect zullen sorteren.

Er wordt nu steeds meer gepleit voor stimuleringspakketten die een dramatische en onmiddellijke impuls geven aan de consumentenvraag, en geld naar de lagere inkomensgroepen laten stromen, die het vermoedelijk snel weer zullen uitgeven in plaats van te sparen. Maar Europese regeringen zijn bang die weg te volgen. Zij vrezen daarmee vooral de import te bevorderen, waarvan met name de buurlanden zouden profiteren.

Overdreven stimulering kan gevaarlijk zijn, als een land het zich niet kan veroorloven – maar geen enkel land kan zich de catastrofe permitteren die dreigt als er helemaal niets wordt gedaan. Er zijn grote risico’s verbonden aan de keuze voor aanhoudende zuinigheid in plaats van gezamenlijke actie. Europa moet besluiten of het binnen drie of tien jaar uit de crisis wil komen.