'Dijsselbloem' is maar een lijstje

Nieuwsanalyse

De vernieuwing in het mbo voldoet niet aan de criteria van de commissie- Dijsselbloem. Toch gaat het door. Is ‘Dijsselbloem’ alweer vergeten?

Iedereen stond achter de conclusies van de commissie-Dijsselbloem.

Die rapporteerde deze week precies een jaar geleden zeer kritisch over onderwijsvernieuwingen als de basisvorming, de Tweede Fase en ‘het nieuwe leren’ in vmbo, havo en vwo. Ze waren in de jaren 90 te snel, te ondoordacht, met te weinig draagvlak en te weinig geld doorgevoerd, zei de commissie onder leiding van Tweede Kamerlid Jeroen Dijsselbloem (PvdA).

Om herhaling van deze fouten te voorkomen, maakte de commissie een lijstje met criteria waaraan toekomstige onderwijsvernieuwingen moeten voldoen, het zogenoemde toetsingskader. Daarop staat onder meer dat er voldoende tijd en geld moet zijn voor vernieuwing, dat er wetenschappelijk bewijs moet zijn dat het werkt en dat docenten en leerlingen erbij moeten worden betrokken. De Kamer beloofde: zo gaan we het voortaan doen.

Vandaag verschenen de conclusies van een Kameronderzoek naar een lopende onderwijsvernieuwing: de invoering van het zogenoemde competentiegericht onderwijs in het mbo. Dat onderwijs leert scholieren zelfstandiger en praktijkgerichter werken. Het parlement wilde weten of deze vernieuwing voldoet aan de eisen van ‘Dijsselbloem’.

Dat is niet zo, blijkt uit de onderzoeken. Dat is geen verrassing. Betrokkenen in het mbo wisten dat al langer.

Maar nu gebeurt er iets raars.

In plaats van te zeggen dat de vernieuwing moet worden teruggedraaid of heroverwogen, wil het merendeel van de betrokkenen en de politici ermee doorgaan. Niemand zit meer te wachten op het oude middelbaar beroepsonderwijs. Dat was niet voldoende op de praktijk gericht.

Een Kamermeerderheid pleit nu voor uitstel van de invoering van het competentiegericht onderwijs. Afstel is geen optie, hoewel onderzoeken laten zien dat het nieuwe onderwijs last heeft van alle kwalen waaraan ook de vernieuwingen uit de jaren 90 leden.

Zo is het allemaal bedacht door koepels en sectororganisaties, niet door scholen en docenten. Tweederde van de docenten is bang dat de vakkennis van leerlingen eronder lijdt. Door de gedetailleerde beschrijving van de exameneisen blijft er voor scholen bovendien weinig ruimte over om hun onderwijs een eigen vorm te geven.

Een groot verschil met eerdere vernieuwingen is dat voor invoering van het competentiegericht onderwijs wel voldoende geld is uitgetrokken. Grote scholen met weinig opleidingen potten het geld zelfs op. Maar kleine scholen met veel zwakke leerlingen komen in geldnood.

Er is dus nogal wat mis met het nieuwe onderwijs, maar ook de rapporten spreken nergens van afstel. Er staat zelfs ergens dat het „belangrijk is het toetsingskader van de commissie-Dijsselbloem niet te rigide toe te passen”.

Is ‘Dijsselbloem’ dan helemaal vergeten?

Daar lijkt het wel op. Iedereen kent de criteria, maar de lijst wordt niet gebruikt als basis, maar als boodschappenlijstje.

Zo denkt Dijsselbloems partijgenoot Staf Depla dat het competentiegericht onderwijs „achteraf Dijsselbloem-proof” gemaakt kan worden. Maar kern van ‘Dijsselbloem’ was juist dat onderwijsvernieuwingen vóóraf goed moeten worden doordacht.

Stopzetten wordt gezien als een nóg grotere vernieuwing dan doorgaan, zeggen betrokkenen. Van alle leerlingen volgt 70 procent het nieuwe onderwijs immers al. Die argumenten zijn niet nieuw – de Betuwelijn, de HSL en de Noord-Zuidlijn konden ook niet meer terug toen er gebreken aan het licht kwamen. Een ander argument om door te gaan, is dat de invoering al jaren gaande was toen Dijsselbloem zijn criteria opstelde. Dat klopt. Daarmee erkennen de voorstanders echter dat ze zelf blijkbaar niet hadden bedacht dat een onderwijsvernieuwing onderbouwing, tijd, geld en draagvlak behoeft.

De oppositie in de Kamer en actievereniging Beter Onderwijs Nederland vinden het zorgelijk dat de mbo-trein voortdendert. Maar er lopen nog meer onderwijsvernieuwingen die een kritische blik behoeven.

Neem de komst van gratis schoolboeken, of de herziening van de lesurennorm en de nieuwe exameneisen voor het voortgezet onderwijs. Over de schoolboeken oordeelde de Raad van State vorig jaar zeer kritisch, van de urennorm zeggen scholen dat de financiële onderbouwing niet klopt, van de strengere exameneisen dat de probleemanalyse niet deugt. Maar op alle drie zijn de criteria van Dijsselbloem niet van toepassing, zegt de coalitie, omdat het officieel geen onderwijsvernieuwingen zijn. Cynisch genoeg verklaarde de commissie-Dijsselbloem dat de onderwijsvernieuwingen van de jaren 90 mede onder invloed van dit soort coalitieafspraken zijn doorgedrukt.

Gaan we het meemaken? Een echte onderwijsvernieuwing die helemaal Dijsselbloem-proof is?

Het Kamerlid zelf denkt dat het gaat lukken met de invoering van het zogeheten ‘passend onderwijs’ op basisscholen, verplicht per 2011. Dit garandeert zorgkinderen een plaats in een ‘gewone’ klas.

Nu al klagen onderwijzers en schoolleiders dat dit hen opzadelt met maatschappelijke problemen, dat de probleemanalyse tekortschiet, dat ouders en onderwijzers er niet bij worden betrokken, dat er te weinig geld voor is en dat er grote risico’s worden genomen met kwetsbare leerlingen. Andermaal zaken die Dijsselbloem vorig jaar bekritiseerde.

Wellicht een nieuwe kans voor het rapport-Dijsselbloem.