Deense schetsen uit de eeuw van de verwondering

Tentoonstelling: Van Abildgaard tot Hammershøi. T/m 5 april in het Van Gogh Museum, Paulus Potterstraat 7, Amsterdam. ***

De negentiende eeuw was overal een goede eeuw voor de schilderkunst, maar in Denemarken in het bijzonder. Ook buiten dat land komen steeds meer musea en verzamelaars tot dat inzicht. In Nederland wijdden het Rijksmuseum en het Haags Gemeentemuseum tentoonstellingen aan de Deense schilders. Toch zijn namen als Hammershøi, Skovgaard, Krøyer en Købke nog steeds opvallend afwezig in onze museumcollecties. Er is wel een grote groep tekeningen in de Collection Frits Lugt, een van oorsprong Nederlandse verzameling, die is gehuisvest in het Institut Néerlandais in Parijs. Ongeveer tachtig bladen daaruit zijn nu te zien in het Van Gogh Museum.

Van alle bekende Deense schilders hangt er wel iets, en vaak iets exemplarisch. Het is dus een overzicht van de Deense negentiende, ‘Gouden’, eeuw – zij het dat je die nu eens alleen van de tekeningenkant te zien krijgt.

Het begint met Christoffer Wilhelm Eckersberg (1783-1853), die in Rome en Parijs het classicisme ging halen en daarmee school maakte aan de academie in Kopenhagen. Van hem zijn er Italiaanse landschappen in Italiaans licht, en noordelijker landschappen die er ook nogal zuidelijk uitzien. Zijn delicate figuurtekeningetjes doen denken aan die van romantische Duitse tijdgenoten.

Eckersbergs leerlingen lieten de klassieke manier van tekenen vervolgens los op hun eigen omgeving. Zo tekende Christen Købke in 1845 de openstaande deuren van een souterrain. Buiten, vier dikke traptreden hoger, schijnt de zon op verzakte straatstenen, een houten hek en een stuk boom. Dat is het. Meer niet. Net als overal elders in Europa – bij ons tekende Christiaan Andriessen ook zulke banale motieven – maakten de kunstenaars zich los uit de pruikentijd, uit een kunst vol decorum, om met open vizier naar het leven van alledag te kijken. Geduldig en precieus noteerden zij alles waar hun frisse blik op viel. De natuur, de stad, de mensen om hen heen of hun eigen spiegelbeeld. De jonggestorven prachtschilder Wilhelm Bendz tekende met een scherp potlood een miniatuurzelfportretje dat nog fijner is dan de portrettekeningen van Ingres.

Latere generaties werkten wat grover, zoals bijvoorbeeld blijkt uit het losse, virtuoze portret dat Peder Severin Krøyer in 1884 tekende van de schilder Oscar Björck. Een blad om lang bij stil te staan is Joakim Skovgaards portret van zijn achtjarige zoontje Eskild uit 1907 – officieel dus van ná de Gouden Eeuw. Ernstige, starende ogen in een ontspannen kindergezicht. Het zachte haar bij de slapen is in passende zachte potloodlijnen gesuggereerd en de volumes in het gezicht zijn aangegeven met even zachte, maar helder naast elkaar gezette arceringen.

De meest twintigste-eeuwse van de negentiende-eeuwse Denen is Vilhelm Hammershøi. Ook hij keek naar de alledaagse werkelijkheid, maar hij dacht daarbij meer dan de anderen aan kunst. Er moest onderhand eens wat sterker gestileerd worden. De bomen langs een weg bij Gentofte heeft hij dan ook vereenvoudigd weergegeven in een verder vrijwel leeg vlak. Meteen wordt het saai. De eeuw van verwondering is voorbij.

In dezelfde zaal hangt Købkes gezicht op een kalkbranderij van een halve eeuw eerder. Ook een landschap met een lage horizon en een stel donkere bomen, maar getekend met veel meer oog voor detail, licht en atmosfeer. De skyline van Kopenhagen in de verte is haarscherp en toch ondergeschikt aan de branderij. Het tegenlicht in de bomen rondom die branderij is weer net iets heiiger dan dat in het gras op de voorgrond. Zo bereikte Købke een subtiel atmosferisch perspectief, dat gevolgen heeft voor de hemel. Wat bij Hammershøi wit papier bleef, is bij Købke een warme middaglucht.