De teloorgang van het geslacht

Waarom denken de meeste politici dat woorden als parlement, kabinet, of wetsontwerp vrouwelijk zijn?

Misschien is het toeval, maar ik turf vaak christenen.

Afgelopen weken noteerde ik nog de volgenden.

‘Het wetsartikel mag niet ineens haar betekenis verliezen.’ Esmé Wiegman-Van Meppelen Scheppink (ChristenUnie).

‘Als het kabinet daar haar argumenten voor heeft, kan ze dat doen.’ Kees van der Staaij (Staatkundig Gereformeerd Verbond).

‘Allemaal op voorwaarde dat het parlement straks haar verantwoordelijkheid neemt.’ Arie Slob (ChristenUnie).

‘Het kabinet heeft voor deze vorm gekozen omdat ze hecht aan helderheid.’ Jan Peter Balkenende (Christen Democratisch Appèl).

Nou kunnen parlementariërs van jonger dan vijftig heel goed de eerste slachtoffers zijn geweest van verslechterd taalonderwijs – denk aan de mammoetvernieuwingen die in hun lagereschooltijd onder roomse leiding werden ingezet, en die later door sociaal-democratische bewindslieden met wellust zijn doorgevoerd.

Je kunt zeggen dat rond 1970 het spraakkundig geslacht al definitief naar de schroothoop van de Nederlandse taal was verwezen.

Ik heb nog meegemaakt hoe dat begon. Als kind moest ik foutloos eenvoudige dicteezinnetjes kunnen spellen als ‘Wij vreezen den norschen grijsaard die altijd asch morst op den pianolooper’, en misschien heb ik me wel eens in een ennetje vergist, maar ik had voor Nederlands altijd minstens een 4- op m’n rapport (we gingen op openbare scholen toen niet tot tien maar tot vijf).

De spellingsvereenvoudiger uit de jaren dertig heette Hendrik Pieter Marchant (Liberale Staatspartij), en die bleek niet van halve maatregelen te houden. Alle dubbelklinkers verdwenen op zijn gezag uit alle open lettergrepen, asch en norsch raakte hun ch kwijt, en alle naamvals-n’en zouden zijn afgeschaft, als er niet met succes voor was gelobbyd om ze ‘bij namen van manlijke personen en manlijke dieren’ te handhaven. Zo bleef het op ’t nippertje nog even den soldaat, den smeris, den reu en den stier, als de soldaat, de smeris, de reu of de stier als lijdend of meewerkend voorwerp in de zin stonden. Maar zouden ‘kennelijk manlijke zelfstandige naamwoorden’, zoals pianoloper, niet als zodanig erkend mogen blijven?

Nee.

In mijn familie werd gevreesd dat kinderen als gevolg van deze liberale opruiming steeds luier zouden worden omdat immers alle uitdaging uit hun taalles verdween. Daar zat natuurlijk wat in. Als je topscorer was van het schoolelftal, en de oudercommissie besloot dat ballen tot drie meter naast de goal nog als doelpunt telden – waarom zou je ze er dan nog in schieten?

Maar de bierkaai bleek weer eens te machtig.

De spelling-Marchant kreeg kracht van wet in 1947, en het laatste besef van wat datief en accusatief betekenden werd ten slotte weggevaagd door de revolutie van de jaren zestig waarin zoals bekend meer oude normen en waarden verloren gingen.

Is dat een excuus voor Kamerleden die denken dat Balkenende IV een vrouw is?

Toegegeven moet worden dat de laatste resten van grammaticale vrouwelijkheid of manlijkheid verdampten toen ze bij Van Dale besloten desbetreffende aanduidingen weg te laten. Tot en met de dertiende druk van het dikke woordenboek kon je nog nazoeken dat speld vrouwelijk was, maar speldenprik manlijk. In de veertiende hebben ze de traditie (vr.) naar god geholpen, waarbij ik aanteken dat ze bij het woord god nog altijd wel de m. van manlijk hebben laten staan: alsof je onzelieveheer zou kunnen vergelijken met een soldaat, een smeris, een reu of een stier.

Maar van een neutrum denken dat het vrouwelijk is! Dan ga je toch bijna aan Freud denken?

Bij het ter perse gaan van deze editie hoorde ik Maxime Verhagen (Christen Democratisch Appèl) over Engeland verklaren dat Wilders niet over de vloer wil: ‘Elk land kan zelf besluiten wie ze toelaat op haar grondgebied.’