De president als de godfather van een maffiakliek

In Kenia houden drang naar macht en loyaliteit aan de eigen stam een traditie van corruptie in stand. Als je moeder naakt is, bedek je haar. Je roept niet de buren.

Corruptie zit de politieke klasse van Kenia in de genen. Plechtig belooft iedere regering diefstal uit de overheidskas te bestrijden. Corruptie tiert echter welig voort, achter de schermen van het politieke bedrijf is het business as usual.

„Het land van de schandalen”, kopte eerder deze maand Kenia’s grootste krant Daily Nation boven een serie verhalen over corruptie. De vorig jaar na hevige onlusten geformeerde coalitieregering van president Kibaki en oppositieleider Raila Odinga blijkt in korte tijd verantwoordelijk voor al even veel corruptieschandalen als haar voorgangers.

Er heerst weer hongersnood in Kenia, maar er blijken met medewerking van ambtenaren in het ministerie van Landbouw illegaal tonnen maïs aan het buitenland te zijn verkocht. Geschatte schade voor de schatkist: 8,25 miljoen euro.

In het ministerie van Energie zwoeren ambtenaren samen en verkochten olie van de staat in het geheim aan een handelaar met goede politieke connecties. Schade: bijna 100 miljoen dollar.

De Keniaanse Toeristenraad, een staatsbedrijf, kwam in opspraak door illegale uitbetalingen aan touroperators. Schade: half miljoen dollar.

Leden van zowel de partij van Kibaki als die van Odinga worden in verband gebracht met de schandalen. De nieuwe regering was vorig jaar nauwelijks aan de macht of het eerste schandaal kwam naar buiten. Tegen een vermoedelijk te lage prijs had de overheid een staatshotel verkocht. Er volgde een onderzoek en de toenmalige minister van Financiën, Amos Kimunya, moest tijdelijk aftreden. De Daily Nation wist vorige week uit het nog geheime rapport te publiceren. „Kimunya moet de complete verantwoordelijk nemen voor het schandaal”, staat er in geschreven.

Het tegendeel gebeurde: president Kibaki nam vorige week zijn Kikuyu-stamgenoot Kimunya weer in het kabinet op als minister van Handel. Nog nooit is een hoge Keniaanse leider berecht wegens corruptie.

Keniaans eerste leider Jomo Kenyatta (1964-1978) zette de toon. Toen een kritisch parlementslid eens bij hem kwam klagen over corruptie, antwoordde de president geïrriteerd: „Je bent alleen maar jaloers, omdat je zelf je zakken niet hebt kunnen vullen.”

President Daniel arap Moi, die Kenyatta in 1978 opvolgde, schreef geschiedenis met het zogenoemde Goldenberg-schandaal, waarbij de staat voor naar schatting 1 miljard dollar werd opgelicht. Na 24 jaar Moi nam in 2002 de verenigde oppositie onder Kibaki de macht over.

In de woorden destijds van de anticorruptiebestrijder John Githongo luidde Kibaki’s beëdiging een „ethische hergeboorte” in van Kenia. Nog geen jaar na het aantreden van Kibaki’s ploeg hadden de corrupte netwerken in en rond de regering zich al gehergroepeerd. Githongo was benoemd tot staatssecretaris tegen de corruptie en bezette een kantoor in het presidentiële paleis. Hij dacht te werken met de zegen van Kibaki.

Githongo was naïef en hield zichzelf voor de gek, blijkt uit het binnenkort te verschijnen boek It’s our turn to eat van de Britse schrijfster Michela Wrong. „Uiteindelijk bleek bij mijn onderzoek naar corruptie steeds duidelijker dat ik de president zelf aan het onderzoeken was”, zegt Githongo in het boek. Hij kreeg doodsdreigingen, aan hem overgebracht door de toprechter van de anticorruptiecommissie, waarop hij in 2004 in Londen in ballingschap ging.

Het beruchte schandaal van de eerste regeerperiode (2002-2007) van Kibaki heette Anglo Leasing. De oplichterij met het niet bestaande bedrijf Anglo Leasing was al onder Moi begonnen en de nieuwe leiders onder Kibaki zetten het geknoei voort. Bij deze zwendel met nepcontracten werd de Keniaanse staat voor 750 miljoen dollar opgelicht, dat betrof ongeveer 16 procent van alle overheidsuitgaven in 2003-2004.

Het Keniaanse politieke machtsspel draait om geld en stammen. Githongo is evenals Kibaki een Kikuyu en daarom vertrouwden zijn stamgenoten in de kliek rond de president hem. Githongo nam echter heimelijk de gesprekken met corrupte ministers op, gesprekken waaruit Michela Wrong uitgebreid citeert in haar boek.

„Angolo Leasing, dat zijn wij”, onthult de toenmalige minister van Justitie en nu minister van Energie, Kiraitu Murungi, op een van de bandjes. Met ‘wij’ bedoelt de minister, een Kikuyu, de tribale kliek rond Kibaki, ook wel de Mount Kenya-maffia geheten.

Na de Kalenjin van Moi waren de Kikuyu’s weer aan de macht gekomen, Kenia’s grootste tribale groep. En die macht mocht nooit meer uit handen worden gegeven in de visie van de rond Mount Kenya levende Kikuyu’s. Het gestolen geld van Anglo Leasing diende om verkiezingen mee te winnen en voor persoonlijk gewin.

Kikuyu’s en de regering voelden zich door Githongo verraden. Als je moeder naakt is, bedek je haar en roep je niet de buren erbij om te komen kijken, luidde de leidraad. Kibaki vreesde onthullingen door Githongo en zond minister Amos Kimunya naar Londen. Kimunya waarschuwde Githongo dat hij zijn eigen stam ondermijnde. „We moeten ons tegen de Luo’s beschermen”, kreeg Githongo te horen. Oppositieleider Raila Odinga is een Luo. Kimunya: „Wil je werkelijk dat onbesneden mensen over Kenia gaan heersen?” (Luo’s doen in tegenstelling tot de Kikuyu’s niet aan besnijdenis, red.)

De traditie van corruptie blijkt niet te stoppen. De drang naar macht zet aan tot corruptie. En zette de Mount Kenya-maffia aan tot verkiezingsfraude. Bedrog door hoge Kikuyu’s bij de presidentsverkiezingen eind 2007 leidde tot geweld op grote schaal, en bracht Kenia aan de rand van de afgrond.

„Macht in het moderne Kenia ligt in de handen van een kleine tribale kliek”, concludeert Wrong. Een ontnuchterde Githongo trekt eenzelfde conclusie. „Ik leerde dat er een maffia bestond. En iedere maffia heeft een godfather. En de godfather was Kibaki.”