Bankpresident van IJsland blijft zitten

IJslands bekendste rockster, Bubbi, gaf gisteren een gratis concert voor het gebouw van de centrale bank van IJsland, begeleid door demonstranten die op potten en pannen sloegen. David de ‘bankrover’ moet aftreden, eisten zij. Maar David Oddson, sinds 2005 president van de centrale bank, wil niet weg.

Johanna Sigurdardóttir, premier van het linkse minderheidskabinet dat ruim een week geleden aantrad, verzocht Oddsson en zijn twee medebestuurders vorige week op te stappen om internationaal vertrouwen te herwinnen. Een stemde toe, de ander wil aanblijven. Net als Oddsson, volgens de betogers de ‘meest gehate man’ van IJsland. Maar voor anderen is hij de populairste politicus van de conservatieve Onafhankelijkheidspartij, die na achttien jaar in de regering nu in de oppositie zit.

Oddsson, die op zijn 34ste burgemeester van Reykjavik werd en later bijna dertien jaar premier was, antwoordde pas na vijf dagen op het verzoek van de nieuwe premier. „Ik wil de functie waarin ik benoemd ben, blijven uitoefenen”, aldus Oddsson in een openbare brief. Zijn ambtstermijn eindigt in 2012. Hij vermeldde daarbij niet dat hij indertijd zichzelf had benoemd.

Vele deskundigen achten Oddsson medeverantwoordelijk voor de diepe financiële crisis in IJsland na het omvallen van de drie grote IJslandse banken. Hij verzette zich in november tegen hulp door het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en vond dat banken buitenlandse schulden – zoals de Icesave-tegoeden in Engeland en Nederland – niet hoefden terug te betalen.

Mogelijk volgende week al stemt het parlement over een wetswijziging die een graad in de economie verplicht stelt voor de president van de centrale bank, een diploma dat Oddsson – van oorsprong advocaat – niet bezit.