Wie zijn de mensen in een line-up naast de verdachte?

Maartje van de Kamp uit Den Haag keek naar Law & Order waarin een slachtoffer een verdachte in een line-up moest aanwijzen. „Wie staan er naast de verdachte nog meer in die rij? Waar halen ze die mensen vandaan? En ook in Nederland?”

Jazeker. En ook hier gaat het net als in de film: een getuige die vanachter glas een aantal mensen op een rij, onder wie de verdachte, begluurt. De mannen of vrouwen in de line-up, met elk een nummer van 1 tot en met 7 voor hun voeten, zien de getuige niet. Gezicht recht vooruit, geen geintjes en armen langs het lichaam. In politiejargon heet zo’n line-up ook wel een Oslo-confrontatie; de methode werd in 1933 voor het eerst in Oslo toegepast.

Waar de politie al die mensen vandaan haalt? Castingbureaus, zegt Arnoud Aben, voorlichter van de politie Amsterdam-Amstelland. „Vroeger plukte de politie nog weleens iemand van straat, maar de line-up is al jaren geleden geprofessionaliseerd. Dat betekent dat de types echt op elkaar moeten lijken. Zelfs de kleding moet eenvormig zijn.” Reden: hoe lastiger de keuze, des te sterker moet de overtuiging van het slachtoffer – en dus de bewijsvoering – zijn.

Modelagency AFT Group, al twintig jaar het vaste castingbureau voor het Amsterdamse politiekorps, krijgt zo’n tien line-upopdrachten per jaar. „Dan wordt er bijvoorbeeld gevraagd naar een Antilliaan, 1 meter 80 lang, met het figuur van een bouwvakker.” legt Peter Rabbèl van het modellenbureau uit. „Vervolgens gaan wij zoeken in ons eigen bestand, dat van collega-bureaus, of vragen we figuranten of ze nog iemand kennen in hun netwerk die aan het signalement voldoet.”

Een confrontatie is redelijk duur en tijdrovend, zegt Rabbèl. De deelnemers krijgen elk een flink uurloon (dat hij uit concurrentieoverwegingen niet wil noemen) en het kan soms weken duren voordat de hele line-up compleet is. „Je moet je voorstellen dat we zes mensen nodig hebben die sterk op elkaar lijken, plus een reserve, want de advocaat van de verdachte kan er altijd een afwijzen. En het zijn vaak toch niet zo van die standaardtypes. Vind maar eens zeven Oostbloktypes met een criminele kop die willen meewerken. Of zeven Chinezen van 1 meter 90. Soms lukt het écht niet.”