Vogels in de lucht

Het weekblad The New Yorker brengt deze week ter herdenking van zijn medewerker John Updike een nummer uit met onder andere een keuze uit zijn vijf decennia omspannende oeuvre. Het zijn niet meer dan druppeltjes water uit een in het zonlicht schitterende oceaan, maar toch stuitte ik op een citaat waarvan ik de herkomst meteen herkende. Het is uit een oud autobiografisch verhaal, Flight, dat ik pas enkele jaren geleden las.

Had ik juist die passage ook niet aangestreept? Ik zocht het op en inderdaad. Frappant. Flight is een vrij onbekend en verder ook niet zo geslaagd verhaal. Toch waren die bloemlezer van The New Yorker en ik vijftig jaar na het ontstaan van het verhaal door precies dezelfde passage getroffen. Dat kon geen toeval zijn.

Updike beschrijft hoe de ik-figuur, een jongen van elf, twaalf jaar, op een zondagmiddag met zijn moeder op de heuvel staat vanwaar ze hun dorp Olinger („misschien zo’n duizend huizen”) kunnen overzien.

„Plotseling groef ze met haar handen door mijn haar en riep: ‘Daar zijn we allemaal en daar zullen we voor altijd zijn.’ Ze aarzelde voor het woord ‘altijd’, en aarzelde opnieuw voor ze eraan toevoegde: ‘Behalve jij, Allen. Jij zult gaan vliegen.’ Enkele vogels hingen ver weg boven het dal, ter hoogte van onze ogen, en op haar impulsieve manier had ze dit beeld overgenomen, maar het voelde als de sleutel waar ik mijn hele jeugd op gewacht had. Mijn geheimste zelf was ervoor geschapen om te antwoorden, en ik was in diepe verlegenheid gebracht, en geprikkeld trok ik mijn hoofd onder haar melodramatische hand vandaan.’’

Updike brengt hier een ervaring onder woorden die veel meer mensen in hun jeugd op een of andere manier ondergaan moeten hebben. Niet zo romantisch en Jezusachtig als bij die moeder, maar zij was dan ook de moeder van een groot schrijver en zij moet iets van zijn genie geproefd hebben. Het gaat mij meer om mensen die onverwachts, op een ogenschijnlijk verloren moment in de chaotische, onbestemde tijdstroom die we jeugd noemen, tegen je zeggen: „Ik zou die kant opgaan als ik jou was – je kunt het.”

Dat hoeft niet per se je vader of je moeder te zijn, want dat zijn in de eerste plaats mensen „die het beste met je voor hebben” en dat beste bestaat vaak vooral uit veiligheid, een gebrek aan avontuur.

Mijn vader vond altijd dat ik in zaken moest gaan, want dat had hij ook gedaan, en met succes. Als ik maar lang genoeg volhield, zou het mij ook wel lukken. Het leek mij een bijna gevaarlijk geval van miscasting. Ik heb ervan geleerd dat ouders soms weinig begrijpen van de kinderen van wie ze zoveel houden.

Het was een klasseleraar die mij beter taxeerde. Hij was met ons, een groepje jongens van een jaar of vijftien, naar het zwembad gegaan. Toen we uitgezwommen waren, vroeg hij ons één voor één wat we later wilden worden. Ik weet niet meer wat de anderen antwoordden, want ik was te veel gefixeerd op mijn eigen antwoord.

Moest ik vertellen dat ik zo graag schreef en dat ik daarin verder wilde gaan? Het hoefde al niet meer, hij keek me aan en zei: „En jij gaat in de journalistiek.”

Er hingen geen vogels in de lucht, maar het was wel een bevestiging dat het mogelijk was je brood te verdienen met iets waar je van hield. Leve Leon, want zo heette hij.