Sijbrands was graag goede gitarist geweest

„Dammers en schakers zijn zachtaardige types”, vindt dammer Ton Sijbrands die het zonder zijn damrubriek in de Volkskrant het in het leven wellicht niet gered zou hebben.

Ik praat met Ton Sijbrands. Omdat we het over ‘de mens achter de dammer’ gaan hebben, is ook Hetty Hilberts, zijn vrouw, bij het gesprek. Ze brengen hun twee teckels mee. Terwijl Stijn en Bas de vreemde omgeving afsnuffelen, haalt de grootmeester een oude schoolfoto en een vergeelde partituur te voorschijn. Ook geeft hij mij zijn boek Henk Smit, mijn leermeester en inspirator. Het is een hommage aan zijn grote leermeester. Er staan tal van notaties in: dambordjes met analyses van partijen die zijn in 2000 overleden damleraar en inspirator speelde. Daarnaast heeft Sijbrands zijn herinneringen opgetekend aan hun vriendschap die vier decennia duurde. Bijvoorbeeld de voorspelling van Smit dat Tonny, 12 jaar en lid van de Christelijke Damvereniging Amsterdam, wereldkampioen zou worden. Zijn pupil won in ’72 en in ‘73 van de oppermachtige Russen. Hij was de held van de Koude Oorlog. Maar dat Ton al veel eerder als 15-jarige de toenmalige wereldkampioen Wjatsjeslav Sjtsjogoljev tijdens het Brinta-toernooi zou verslaan, had zelfs Henk Smit niet voorzien. En dan is er natuurlijk het wereldrecord blind simultaan dammen, dat Sijbrands 25 jaar geleden vestigde en maar liefst acht keer verbeterde – tot Erno Prosman het hem in juli van vorig jaar ontnam. Ook al is het slopend, zeker als je bijna zestig bent, Sijbrands wil het record weer op zijn naam hebben. Maar over dammen zou het niet gaan.

Op de oude foto is een lagere schoolklas te zien. Er staat een jongen tussen Tonny en zijn huidige vrouw in. Het is symbolisch voor hun levensloop. Ton en Hetty woonden honderd meter van elkaar. Als kleuters waren ze al dikke vriendjes. Ze zaten samen bij de padvinders, in het kinderkoor de Damrakkertjes en op zondagschool. Na de lagere school verloren ze elkaar uit het oog. Bijna 35 jaar later vielen ze elkaar alsnog in de armen.

Hetty, lerares Nederlands, herinnert zich Ton als een serieuze jongen, maar ook dat ze samen veel plezier hadden. Een nerd was hij beslist niet. „Ik speelde bij de jeugd van Ajax”, valt Ton haar bij: „Het shirtje heb ik nog.”

De vergeelde partituur is van de Matthäus Passion. Ton Sijbrands zong in een jongenskoor bij de uitvoeringen in het Amsterdams Concertgebouw. Als jongeman toog hij naar de ‘passion’ aan de zijde van Henk Smit. Zijn oude vriend was in stijf gereformeerd zwart gestoken, maar zat er allerminst mee dat Ton de wereld uitdaagde met zijn witte provopak, lange haren en wilde baard.

Ton Sijbrands komt uit een binnenschippersgeslacht. Bij hem thuis logeerden vaak neefjes en nichtjes van varende familieleden. Ze deden spelletjes, waaronder een potje dammen op een uitklapbaar bord. Hetty deed mee. Ze verloor altijd van Ton, maar wie niet?

De hbs was geen succes. Hij bleef zelfs een keer zitten. Wel prijkte op zijn laatste rapport een negen voor Frans. Hij vond zijn leraar Frans, die begrip had voor de provobeweging, een sympathieke man en wilde het hem niet aandoen dat hij een slecht cijfer moest geven. De vierde klas maakte hij niet af. Als kersvers Nederlands damkampioen had hij geen tijd meer voor school.

„Mijn werelden zijn muziek en dammen”, zegt hij.

„Eerst dammen, dan muziek”, onderbreekt Hetty hem.

Ooit was het omgekeerd. Vanaf zijn zesde, vier jaar voordat het menens werd met dammen, volgde hij jaren gitaarlessen en behaalde het ene na het andere diploma.

Na zijn tienertijd raakte hij zijn gitaar nauwelijks meer aan. Dammen ging vóór. Achteraf vindt hij dat jammer, want hij was ook graag een goed gitarist geworden. Sinds vorig jaar heeft hij weer een akoestische gitaar, vertelt Hetty, die hem in Oost-Berlijn resoluut een muziekwinkel binnenloodste.

Als ze, nog nagenietend, naar het toilet is, zetten de teckels het op een janken.

„Hoe zie je jezelf”, wil ik weten.

Hij heeft het antwoord paraat: „Dammers en schakers zijn over het algemeen vrijgezellen met plastic tasjes, zachtaardige types, geen macho’s. Twee mannen zitten vier tot zes uur tegenover elkaar aan een bord met houtjes, zonder dat ze een woord tegen elkaar zeggen. Ik denk dat ze het doen om niet te hoeven communiceren. Een soort autisme.”

Met als aanloopje mijn theorie dat dammen wel eens moeilijker zou kunnen zijn dan schaken, omdat je schaakstukken makkelijker uit elkaar houdt dan damschijven, breng ik voorzichtig ter sprake dat schaken meer aanzien geniet.

Een gevoelige snaar blijkt geraakt: „Dammen wordt vele malen slechter betaald. Zonder mijn wekelijkse damrubriek in de Volkskrant had ik het waarschijnlijk niet gered.”

„Wat vind je het belangrijkste in het leven”, vraag ik.

„Het mag obligaat klinken, maar het belangrijkste vind ik de liefde.”

Terug op aarde zegt hij: „Als ik voor de achterkant van het dambord had gekozen, woonde ik nu op de Brink in Muiderberg in plaats van in een rijtjeshuis in Muiden.”

Otto Holzhaus