Rennend is het vuurfront niet bij te houden

Door intense droogte, hitte en eucalyptusbomen konden de branden zo groot worden.

Het vuur kan zo snel gaan dat bomen verbranden, maar het gras eronder groen blijft.

Ten minste 170 doden, honderden verwoeste huizen en een verbrand bosoppervlak van ruim 1.200 vierkante kilometer, bijna zo groot als de provincie Utrecht. Tientallen mensen worden vermist. Hoe konden de bosbranden bij Melbourne zo verschrikkelijk uit de hand lopen?

Het staat vast dat twee factoren de doorslag hebben gegeven: de intense hitte en droogte die de omgeving van Melbourne de laatste weken teisterden. En de enorme uitgestrektheid van het aaneengesloten bos rond Melbourne dat, afgaande op persfoto’s en berichten in Australische kranten, rijk was aan eucalyptusbomen. Dat zijn bomen met een hoog gehalte etherische oliën in de bladeren, die daardoor na droogte extreem brandbaar zijn. De verschillende eucalyptussoorten komen van nature in Australië voor, maar zijn ook op grote schaal aangeplant. Veel ervan wordt gebruikt voor brandstof en papier.

Dat het uiterste zuidoosten van Australië is getroffen door ongekende hitte en droogte wordt bevestigd door de metingen en analyses in de ‘Special Climate Statement 17’ van het Australische weerkundig bureau. De KNMI heeft die op zijn site gezet. In Melbourne werd het op 30 januari 45,1 graden Celsius, alleen tijdens de hittegolf van januari 1939 was het met 45,6 °C heel even nóg warmer. Er hebben zich nachten voorgedaan waarin de temperatuur niet onder de 33,9 °C zakte. Ook de droogte was extreem: al vanaf 3 januari was in Melbourne geen meetbare hoeveelheid regen gevallen. Sinds 1956 is het niet zo lang achtereen droog geweest.

Wat heeft de brand veroorzaakt? Van belang is dat zich volgens ‘Statement 17’ sinds begin januari maar een paar geïsoleerde onweersbuien hebben voorgedaan. Praktisch gesproken kan alleen blikseminslag als een natuurlijke oorzaak van bosbrand gelden. Veel theoretischer is de kans op bosbrand door de broei van afval, zoals vroeger ook wel hooibergen in vlammen opgingen. Maar alleen vochtig afval dat heel dicht opeen gepakt is, kan gaan broeien; een onwaarschijnlijk scenario gezien de droogte.

Gerard Grimberg van de Directie Kennis van het ministerie van Landbouw wil niet uitsluiten dat blikseminslag een enkele brand bij Melbourne heeft veroorzaakt. Maar meestal gaat onweer gepaard met regen die een mogelijk brand weer blust. Hij gaat er toch van uit dat bijna alle branden aan menselijk handelen zijn te wijten, dus aan slordigheid of opzettelijke brandstichting.

De inmiddels gepensioneerde meteoroloog Kees Floor ziet toch wel een belangrijker rol voor blikseminslag. In het tijdschrift Zenit (september 2003, ook op de KNMI-site) besprak hij de relatie tussen weer en bosbranden. Zo’n 40 procent van alle bosbranden in Noord-Amerika zou door blikseminslag worden veroorzaakt. Veel satellieten, zoals de Amerikaanse Terra en Aqua, zijn in staat de hitte van de bosbranden te detecteren, zegt Floor. Het merendeel van de Australische branden zal wel zijn gesignaleerd. Door te kijken waar de brand ontstond, en waar het onweerde, kan worden nagegaan of de oorzaak blikseminslag is geweest.

Hoe kon de brand zich zo snel verspreiden? Puttend uit andere buitenlandse bronnen kwam Floor in 2003 tot de conclusie dat het vuurfront van een bosbrand zich in het uiterste geval met een snelheid van 25 kilometer per uur kan verplaatsen. Dat maximum zou mogelijk optreden als een straffe wind veel vonken meevoert naar droog bos.

Jan Slakhorst, plaatsvervangend directeur brandweer van de regio Midden-Gelderland (die de Veluwe omvat), ziet dit als een extreme waarde die zich in Nederland nooit heeft voorgedaan. „Het zou betekenen dat de afstand Arnhem-Apeldoorn in een uur wordt afgelegd.” De brand in Australië heeft dimensies die wij in Nederland niet kennen, zegt Slakhorst, „maar we proberen er iets van te leren”. Slakhorst komt voor de Nederlandse situatie een heel stuk lager uit: een paar honderd meter per uur.

Toch rapporteren mensen in Australië dat de brand binnen vijf minuten door het dorp raasde. Op sommige foto’s is te zien dat het gras en de struiken onder de bomen nog groen zijn. Het vuur, dat zich via de boomtoppen verplaatste, ging zo snel voorbij dat deze niet verbrandden.

Al met al moet toch worden aangenomen dat een rijdende auto een vuurfront kan voorblijven. De automobilisten die bij Melbourne door vuur werden overvallen, werden misschien verrast door draaiende wind. In het lage berggebied ten noordoosten van Melbourne was het windpatroon mogelijk grillig. Overigens blijken ook veel automobilisten het slachtoffer te zijn geworden van de dikke rook: er deden zich veel botsingen voor.

Hadden de verschillende afgebrande dorpen en verspreid geplaatste woningen niet beter tegen mogelijke bosbranden beschermd kunnen worden? Het minste dat je zou kunnen doen is toch: een boom- en struikvrije zone rond de bebouwing aanleggen.

Slakhorst van de brandweer: „Wij hebben in Nederland vastgesteld dat bosbranden in zeldzame gevallen zelfs over brede autowegen heen slaan. Inclusief de bermen is dat toch een breedte van zo’n honderd meter. De vrije stroken rond de dorpen in Australië zouden dus misschien wel een paar honderd meter breed moeten zijn, de vraag is of dit aanvaardbaar is.”

En had niet veel eerder een evacuatiebevel moeten worden afgegeven in de omgeving van Melbourne? Ja, zegt Slakhorst. En, vertelt hij, „Ook voor Nederland wordt in overleg met het ministerie van Binnenlandse Zaken sinds enige tijd nagedacht over de wenselijkheid van evacuatie, bijvoorbeeld in het geval van zware bosbranden op de Veluwe. Daar is nog veel onderzoek voor nodig. Hoe snel kan een vuurfront zich verplaatsen, dat moet je dan weten.”

Ook Grimberg van de Directie Kennis had er al op gewezen dat het ‘niet onnodig’ is om evacuatieschema’s klaar te hebben. „Er zijn op de Veluwe campings die diep in het bos liggen en die maar één vluchtweg hebben. En het moderne bosbeleid heeft het bos brandgevoeliger gemaakt. Men laat tegenwoordig veel dood hout liggen, vooral langs paden en wegen. Ik heb brandweermensen gesproken die zeiden: in extreme gevallen is het hier ook door ons niet meer te houden.”