O God, worden atheïsten nu ook achterlijk?

Ook in Madrid voeren atheïsten en religieuzen een strijd via slogans op bussen.

Ik, complexloos atheïst, verbaas me over deze verbeten strijd, vooral de atheïstische.

Als parttime inwoner van Madrid heb ik er een probleem bij. Laat ik mij vervoeren door een atheïstische stadbus of door een gelovige? Sinds kort voert een aantal van hen reclameboodschappen mee met de verzekering dat God (waarschijnlijk) niet bestaat. Van de weeromstuit zijn geloofsorganisaties gaan terugslaan met reclameboodschappen waarin de realiteit van God krachtig wordt onderstreept.

Je zou er neerslachtig van worden en liefst zou ik de twee kijvende kampen met hun koppen tegen elkaar slaan, met de dringende vraag of het uit kan zijn met zoveel kinderachtigheid. De aarde warmt op, de wereldeconomie wankelt, geloofsfundamentalisten van links en rechts gaan elkaar te lijf met een dogmastrijd tegen reclametarieven: alsof dat geld niet beter kan worden besteed.

Ironisch is het allemaal wel. Decennialang werd de passant in de openbare ruimte geconfronteerd met bezwerende spreuken van godsdienstige aard. Die lijken gaandeweg te zijn verdwenen, of misschien ben ik alleen maar opgehouden erop te letten. Veel verschil maakt het niet. Er zal door deze oproepen niet één vloek minder hebben geklonken en geen enkele passant zal zich erdoor naar de doopvont hebben laten leiden.

In Groot-Brittannië wilde een overtuigd atheïste de zaak eens omdraaien. Aanvankelijk als grap, maar al snel sloeg de vlam in de pan. De bioloog Richard Dawkins stelde een deel van de opbrengst van zijn bestseller The God Delusion (God als misvatting) ter beschikking van wat gaandeweg een nieuw soort kruistocht leek te worden. Vrijwel tegelijkertijd verklaarde hij zich een tegenstander van Harry Potter, die de kinderziel ontvankelijk zou maken voor magie en andere reli-rimram.

Daarmee bevindt Dawkins zich in het goede gezelschap van diverse bibliotheken uit de Nederlandse bible belt en een aartsconservatieve Oostenrijkse bisschop. Het ene extreem reikt nu eenmaal bijna vanzelf het omgekeerde extreem de hand. In de politiek wisten we het al, maar die wet heeft nu ook zijn religieuze variant gekregen.

Misschien is het belijdend atheïsme daarom de vormen gaan navolgen waarin zo lang de geloofsbelijdenis haar heil gezocht heeft. Zijn de religieuze reclameboodschappen eindelijk weggedeemsterd, dan komen de anti-religieuze ervoor terug. Doen de kerken het qua bekeringsijver wat rustiger aan, dan zet het atheïsme een ware missioneringscampagne op de rails. Zelfs het Humanistisch Verbond begint zijn radioboodschappen inmiddels met klokkengebeier, gevolgd door een boodschap die zijn weerga niet kent in mystieke zweverigheid: ‘Humanisten geloven in de kracht van mensen’.

De overtuigde ongelovige in mij zou van minder het schaamrood op de kaken krijgen. Intussen blijft wél de vraag waarom het atheïsme zich geroepen voelt tot zo’n pinksterachtige getuigenispolitiek. Omdat ‘het geluid van religies steeds harder klinkt’? – zoals het Humanistisch Verbond beweert. Eerlijk gezegd is daar weinig van te merken. Wel wordt er constant over godsdienst gesproken, maar intussen worden de kerken almaar leger. Alleen de moskeeën en immigrantenkerken zitten nog vol, zolang als dat duurt, maar daarmee komt de discussie op heel andere terreinen terecht.

De ‘autochtone’ religiositeit heeft het massaal gezocht in de underground van tarot, astrologie, glazen bollen, heksengeloof, feng shui en koffiedik. Of dat winst is, valt te betwijfelen. Gevestigde kerkgenootschappen hebben in elk geval het voordeel van de openbaarheid, die hen dwingt tot een zekere verantwoording.

Wat het atheïsme dwars zit, kan dus minder een godsdienstige revival zijn dan de moedeloze constatering dat het obscurantisme nog altijd niet geheel is uitgestorven. Het nam een hypotheek op een schitterende toekomst, die nu plotseling onaflosbaar blijkt. De rancune waarmee het om zich heen slaat, is dan ook goed te begrijpen. Voor wie nog geloofde in ‘de kracht van mensen’ moet het buitengewoon teleurstellend zijn dat die mensen het zélf zo vaak bij andere krachten zoeken.

In die ontgoocheling wortelt veel van de paniekerigheid van de recente atheïstische missionering, die met publiciteitscampagne minder het publiek lijkt te willen overtuigen dan zichzelf een hart onder de riem te steken. Dat is heel menselijk, maar daarmee nog niet verstandig, laat staan aantrekkelijk. Het zou de ongelovige in mij in ieder geval een lief ding waard zijn wanneer hij zich niet regelmatig zou hoeven te schamen voor zijn medestanders. In de huidige propagandaoorlog wordt het atheïsme van de weeromstuit opgezadeld met de achterlijkheid waarvan de gemiddelde godgelovige zich al enige tijd geleden heeft losgemaakt.

Tegenover de verbetenheid waarmee de beide extremen het publiek met loze publiciteitsslogans bestoken, slaakt de complexloze atheïst een zucht van verlichting bij de ontmoeting met een even complexloze gelovige, die zich net zo min als hij op stang laat jagen. Ook bij hen zou gerechtvaardigde woede kunnen heersen. Niet over de kwetsende woorden van de andere partij, maar over de grofheid waarmee zeloten in beide kampen de overtuigingen van hun eigen geloofsgenoten omsmeden tot strijdwapens – en daarmee onherroepelijk vervalsen. Het besef dat een dergelijk primitivisme allereerst een belediging is voor de eigen intellectuele integriteit lijkt deze heethoofden maar niet te willen dagen.

Maar noch de gemiddelde atheïst noch de gemiddelde gelovige laat zich zo makkelijk boos maken. Liever gaan ze aan deze kretologie schouderophalend voorbij – zoals de atheïst dat al heel lang doet en ook de gelovige inmiddels heeft geleerd. Beiden kunnen elkaar in hun gevoel voor betrekkelijkheid vaak beter lijden dan de banvloekpredikers die zeggen te spreken in hun naam. Gezamenlijk nemen zij dezelfde bus of lopen onaangedaan aan de slogans voorbij, in de wetenschap dat er tussen hen een mooie, kalme vriendschap daagt.

Ger Groot doceert filosofie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en is overtuigd ongelovig.