Ingebonden voet

„Een opblaaspop.”

„Een wat?”

„Zie dat vissensmoeltje uit het schaatspak puilen. Ze hebben een bar of zo te veel in dat meisje gepompt.”

„Dit heet concentratie”, zei ik.

Had ik dit? Net terug van mijn wekelijkse, zeer nuttige en voldoening schenkende techniektraining op de kunstijsbaan was ik neergestreken voor de tv. Het eerste tweetal dames had de 500 meter van het WK allround in Hamar nauwelijks beëindigd of X, vrijetijdsdichter en zelfbenoemde grondlegger van het ‘neo-intuïtief constructivisme’, stond op de stoep. Had ik ook maar het geringste vermoeden van zijn komst gehad, ik had de gordijnen gesloten.

„Ze weten die ventieltjes tegenwoordig aardig te camoufleren. Jammer.”

De schaatsster op de startlijn in wie X een iets te fel opgepompte opblaaspop met gecamoufleerde tepels zag, was de Japanse Masako Hozumi. Wat voor fraais Masako deze zaterdagmiddag nog uit haar suf getrainde lijf zou persen, ik kon haar met de beste wil van de wereld niet meer als potentieel podium waarnemen.

„Ah, de lotusvoet is terug; schoonheid boven schoonheid.”

Verlekkerde ik me bij de schitterende zoombeelden nog aan het geavanceerde, om de voet gezogen schaatsschoeisel, zag ik opeens de gruwelijke verminkingen voor me van een oud Chinees schoonheidsideaal zoals ooit vertoond in een documentaire op National Geographic Channel: de ingebonden voet. Masako Hozumi kon wel inpakken. Is lopen op die voeten al een crime, schaatsen leek me helemaal uitgesloten.

„Doe me een plezier: zwijg”, zuchtte ik.

„Ze hangt iets te laag in het kruis.” Ik kon het helaas niet ontkennen.

Hoewel zelf geen beoefenaar van een sportieve discipline noemt X zich een Sportbegeisterte, in de zin dat hij in de topsport tal van aanknopingspunten vindt welke hij in zijn poëzie inzet als een immer voortschrijdende definiëring van ‘de perfecte mens’. Naar eigen zeggen opereert hij vanuit een onbevangen en zelfverkozen wereldvreemdheid. In het café was ik X soms enorm behulpzaam geweest bij het definiëren van de perfecte mens – toen ik nog in cafés kwam althans. Onlangs had zijn intuïtie een dramatische wending genomen.

„Een mormonenkop.”

De Canadese Nesbitt had haar sprint afgerond. Haastig rukte ze het kapje van haar hoofd. „Eerder gematigd christelijk”, kermde ik.

Goddank moest X er in de dweilpauze vandoor. Het commentaar op de Zamboni bleef me bespaard. Toen ik hem uitliet attendeerde hij mij er fijntjes op dat schaatsers geen oren hebben. „Daar gaan onze hersenen aan voorbij. Schaatsers zetten een bril op, maar er zijn geen oren om de pootjes op te leggen.”

Het duurde tot de explosie van Sven Kramer op de vijf kilometer eer mijn zintuigen iets van balans hervonden. Ik zag een machtige, oorloze reuzensprinkhaan over het ijs wieken, waarschijnlijk het meest geslaagde experiment van de natuur tot nu toe.