'Hopelijk lukt het met de volgende vernieuwing'

De vernieuwing van het mbo voldoet niet aan de eisen van ‘Dijsselbloem’. Toch is afblazen geen optie. „Je wilt het onderwijs niet over de kling jagen.”

Jeroen Dijsselbloem kijkt vanaf zijn keukentafel zo de Wageningse polder in. Hij woont met vrouw, twee kinderen en hond op een terp te midden van groene landerijen.

Deze week is het precies een jaar geleden dat een parlementaire commissie onder zijn leiding een uiterst kritisch rapport publiceerde over vernieuwingen van de afgelopen twintig jaar in het voortgezet onderwijs.

Het rapport heeft hem geprofileerd als een streng politicus, zo zegt hij op de vraag wat hij er persoonlijk aan gehad heeft. „Het rapport heeft me ook populair gemaakt onder docenten van mijn kinderen.” En de politiek? Heeft die er iets mee gedaan?

Dijsselbloem vindt van wel, zegt hij terwijl hij boterhammen met pindakaas eet. „Een jaar is nog te kort om een definitief oordeel te geven, maar door het rapport is al wel een cultuuromslag ontstaan. Het besef is doorgedrongen dat het niveau van het onderwijs achteruit is gegaan, en dat er iets aan moet gebeuren. Het rapport heeft gewerkt als een breekijzer. Vroeger werden scholen vrij gelaten, nu wordt er openlijk gediscussieerd of kinderen wel genoeg rekenen en taal leren. De eindexameneisen worden verzwaard. De Kamer is kritischer geworden.”

Over de invoering van de enige nog lopende onderwijsvernieuwing in het onderwijs, het ‘competentiegericht onderwijs’ in het mbo is hij minder mild. Morgen komt de Kamer met de uitkomsten van een parlementair onderzoek naar de invoering van het competentiegericht onderwijs. Maar Dijsselbloem wil er al best iets over zeggen. „Er worden te grote risico’s mee genomen.”

Een jaar geleden stelde zijn commissie een lijst op met criteria waaraan toekomstige onderwijsvernieuwingen moeten voldoen. „Het competentiegericht onderwijs voldoet daar niet aan.”

Het nieuwe onderwijs laat leerlingen zelfstandiger en praktijkgerichter werken en wordt mogelijk vanaf 2010 verplicht in het hele mbo. Een Kamermeerderheid heeft het in 2005 voorlopig goedgekeurd. Ook het onderwijs en bedrijfsleven zijn positief, niemand wil terug naar het oude mbo. Maar pas op, zegt Dijsselbloem.

Het is volgens hem nog „onduidelijk” of scholen voldoende geld hebben om het goed te kunnen invoeren. En of het geld dat scholen er van de overheid voor gekregen, hebben, ook echt gebruikt is voor het nieuwe onderwijs. Het is bovendien onduidelijk of leerlingen voldoende leren van het nieuwe onderwijs. Het is ook niet wetenschappelijk onderbouwd of het geschikt is voor alle leerlingen, voor alle vakken, en op elk mbo-niveau. „Voordat al deze vragen zijn beantwoord, vraag ik me af of het verantwoord is het in het hele mbo op dezelfde datum en voor alle leerlingen in te voeren. Instellingen die er nog niet aan toe zijn, moeten uitstel kunnen krijgen.”

Moet het worden afgeblazen?

„De helft van de leerlingen zit al op een nieuwe opleiding. Terugdraaien zou wéér een topdown vernieuwing zijn. Je wilt het onderwijs niet helemaal over de kling jagen.”

Maar uw criteria dan? Die worden over de schutting gekieperd?

„Natuurlijk moeten toekomstige vernieuwingen aan de criteria voldoen. Maar bij deze vernieuwing is dat heel moeilijk omdat de criteria bij invoering nog niet bestonden.”

Hadden de onderwijsvernieuwers ze destijds dan niet zelf kunnen bedenken? Zo ingewikkeld zijn ze toch niet.

„Dat had zeker gemoeten. Maar vergeet niet dat het begin van het competentiegericht onderwijs dateert uit een periode dat het volstrekt onduidelijk was wie waarvoor verantwoordelijk was in het onderwijs. Het was chaos.”

Wat er nu moet gebeuren, zegt Dijsselbloem, is dat de nieuwe exameneisen die al zijn opgesteld allemaal opnieuw tegen het licht gehouden moeten worden. „Bestuurders van mbo-instellingen moeten veel meer de verantwoordelijkheid nemen voor hun docenten en hun leerlingen, in plaats van zich drukker te maken over de volgende fusie in het onderwijs. colleges van bestuur hebben te weinig betrokkenheid getoond.”

Hoe legt de politiek dat straks uit aan ouders en leerlingen?

„Het is geen ideale situatie.”

Zal het Nederlandse onderwijs ooit een vernieuwing beleven die wél helemaal Dijsselbloemproof is?

„Ik heb goede hoop dat dat het geval zal zijn bij het passend onderwijs op de basisschool.” Dat garandeert moeilijk lerende kinderen of kinderen met een handicap een plaats in een ‘gewone klas’. „Voor die vernieuwing is al veel meer extra tijd uitgetrokken. En de staatssecretaris is bereid een verschillende aanpak te volgen op verschillende scholen.”

Moeten we niet gewoon stoppen met onderwijsvernieuwing?

„Beslist niet. Zo vind ik bijvoorbeeld dat het vmbo voor 100.000 leerlingen nu nog veel te theoretisch is. Voor al die leerlingen is een praktische, volwaardige leerweg nodig. Er is dus zeker nog vernieuwing nodig, zij het binnen het huidige stelsel.”