...en denk vooral aan scholieren van 10 tot 15

Als we besluiten tot meer geld voor onderwijs, welke maatregelen verdienen dan de voorkeur? vraagt Leo Prick zich af. Verhoog het algemene onderwijspeil. En let goed op tv-maker Prem.

Inderdaad blijven de Nederlandse onderwijsuitgaven al jaren achter bij die van andere industrielanden, zoals Fred van Leeuwen hierboven opmerkt. Overigens loopt Nederland wat betreft de uitgaven voor basis- en tertiair onderwijs redelijk in de pas met het buitenland. Maar wat het voortgezet onderwijs betreft, heeft schraalhans het hier inderdaad voor het zeggen.

Dat de uitgaven voor deze sector ver zijn achtergebleven bij die in de ons omringende landen, komt door de in het verleden doorgevoerde bezuinigingen. In de jaren tachtig en begin jaren negentig hebben de kabinetten-Lubbers met werkgevers en werknemers de Nederlandse economie uit het slop gehaald. Bij alle lof die de participanten hiervoor tot op de dag van vandaag krijgen toegezwaaid, wordt vergeten dat de aanpak van de crisis toen de oorzaak vormt van de zorgelijke situatie van het Nederlandse onderwijs nu. Want wat hield dat crisismanagement met als achtereenvolgende hoofdrolspelers Deetman (CDA), Wallage (PvdA) en Ritzen (PvdA) in?

Er werd rigoureus bezuinigd. Deetman deed dit door een drastische verlaging van de salarissen van aankomende leraren, en een verlaging van de bevoegdheidseisen. Het huidige tekort aan docenten waardoor steeds meer lessen door onbevoegden worden gegeven, de niveauverlaging van onderwijsgevenden en de desinteresse voor het beroep, zijn het rechtstreekse gevolg van de toen genomen maatregelen.

De bezuinigingsbijdrage van Wallage betrof de schaalvergroting. Kleine scholen werden opgeheven, en ondanks het verzet van ouders en leraren werden waar mogelijk fusies doorgedrukt. Inmiddels weten we dat een niet al te grote, overzichtelijke school van belang is voor het welzijn van zowel leraren als leerlingen en ertoe bijdraagt schooluitval tegen te gaan.

De belangrijkste bezuinigingsingreep van Ritzen ten slotte betrof het bestrijden van het ‘stapelen’. Leerwegen dienden vooral efficiënt te zijn. Het stapelen van opleidingen (bijvoorbeeld eerst mavo, dan havo en ten slotte vwo) werd ontmoedigd, evenals het stapelen van middelbaar en hoger beroepsonderwijs. Deze maatregelen hebben geresulteerd in een schreeuwend tekort aan hoogopgeleiden toen de economie weer aantrok.

Kortom, de bezuinigingen hebben het onderwijs de afgelopen 25 jaar veel kwaad gedaan. Niemand heeft dan ook voorgesteld om in de huidige crisis opnieuw op onderwijs te gaan bezuinigen. Integendeel. Velen pleiten ervoor, net als Van Leeuwen hierboven, juist nu in het onderwijs te investeren zodat we er beter voorstaan als straks de economie weer aantrekt.

Als daartoe wordt besloten, welke maatregelen verdienen dan de voorkeur? Hoewel de werkloosheid vooralsnog zal toenemen, moeten we blijven beseffen dat we het ons als gevolg van de vergrijzing niet kunnen veroorloven een substantieel deel van de potentiële beroepsbevolking ongebruikt te laten. Daarom zullen we extra investeringen moeten richten op een algemene verhoging van het onderwijspeil.

De aandacht moet vooral uitgaan naar de leeftijdsgroep 10 tot 15 jaar. Het gaat dus om het laatste jaar van de basisschool en om de onderbouw van het voortgezet onderwijs. Die jaren vormen de scharnierleeftijd waar elke onderwijsloopbaan om draait. Inmiddels raakt iedereen hier ook steeds meer van doordrongen. Vandaar dat zo nu en dan de term ‘middenschool’ weer opduikt, maar dat schooltype is onverenigbaar met het principe van de vrije schoolkeuze zoals wij dat kennen, en gelukkig zijn maar weinigen zo onverstandig om daaraan te willen tornen.

We moeten dus zoeken naar andere wegen om te bevorderen dat leerlingen zo veel mogelijk uit zichzelf halen. Bijvoorbeeld de weg van tv-presentator Prem Radhakishun, die in zijn nieuwe programma De School van Prem kinderen met een leerachterstand klaarstoomt voor de Cito-toets: precies de voor schoolsucces cruciale fase. Dankzij die extra aandacht zullen verschillende van Radhakishuns leerlingen op basis van hun Cito-score een hoger advies krijgen dan aanvankelijk voor mogelijk werd gehouden. Vervolgens zullen de programmamakers ongetwijfeld willen bewijzen dat hun succes niet vluchtig is. Zij zullen er dan ook voor zorgen dat de betrokken leerlingen ook de komende jaren intensief worden begeleid. Waarmee wordt bewezen dat onder de kansarme leerlingen veel potentieel onbenut blijft, en dat intensieve begeleiding in kleine groepen vruchten afwerpt.

Met als uiteindelijk resultaat dat we over een jaar of tien moeten concluderen dat de meest succesvolle vernieuwing die het Nederlandse onderwijs het afgelopen decennium heeft gekend afkomstig blijkt te zijn uit de koker van een populair televisieprogramma.

Leo Prick is medewerker van NRC Handelsblad. Hij schreef boeken als Onderwijs op de divan (2000) en Zo kan het echt niet langer, kritische beschouwingen over het onderwijs (2002).