Verbonden door een diep wantrouwen jegens justitie

Advocaten Nico Meijering, Bénédicte Ficq, Leon van Kleef en Marnix van der Werf spelen een hoofdrol in het liquidatieproces dat vandaag begint in de ‘Amsterdamse bunker’.

De lunch is een vast rustpunt op het advocatenkantoor Meijering Van Kleef Ficq & Van der Werf. „We eten altijd samen als het kan”, zegt Bénédicte Ficq, een van de naamgevers van het kantoor dat in 1992 werd opgericht. „En we sluiten de dag ook altijd samen af”, zegt ze lachend. Ze wijst naar de aanzienlijke voorraad rode en witte wijn in de keuken. „Je ziet wel dat we hier heel veel lol hebben.” Op een andere toon: „De advocatuur kan een eenzaam beroep zijn. Wij vinden het belangrijk om veel samen te doen en te bespreken. En soms moet je gewoon stoom af kunnen blazen. Zo voorkom je dat je je frustraties meeneemt naar huis.”

Het advocatenkantoor dat Ficq samen met haar partners Leon van Kleef, Nico Meijering en Marnix van der Werf heeft opgebouwd, is de laatste jaren opvallend vaak betrokken bij grote, geruchtmakende strafzaken.

Zoals het zogenoemde liquidatieproces, dat vandaag is begonnen in de extra beveiligde rechtszaal in Amsterdam-Osdorp. In de zaak, die naar verwachting een jaar zal duren, komen de tientallen moorden aan de orde die sinds begin jaren ’90 in de Amsterdamse onderwereld zijn gepleegd. Het kantoor Meijering Van Kleef Ficq & Van der Werf speelt een hoofdrol, met vier verdachten als cliënt. Hoe raakt een kantoor met wortels in de sociale advocatuur verzeild in de wereld van vastgoed, afpersing en liquidaties?

De grote ronde tafel in het souterrain van de kantoorvilla aan de rand van het Amsterdamse Vondelpark speelt een hoofdrol in de praktijk van het kantoor, zegt schrijfster Maria Goos. In het begin van de jaren 90 at Goos regelmatig een broodje mee. Ter inspiratie voor het scenario van Pleidooi, de veelgeprezen advocatenserie die tussen 1993 en 1995 werd uitgezonden door de AVRO. „Die tafel is zo belangrijk. Als ik daarover ga vertellen, dan schend ik al heel snel de geheimhoudingsovereenkomst die ik indertijd heb ondertekend”, vertelt ze. „Dat mag ik niet en dat wil ik ook niet.”

Gerard van Asperen heeft minder problemen met die vraag. „De meeste advocaten zijn individualisten”, zegt Van Asperen, die vroeger advocaat was en nu werkt als raadsheer bij het gerechtshof in Amsterdam. „Ficq, Van Kleef, Meijering en Van der Werf trekken samen op. Dat zie je niet zo veel in het strafrecht. Ze delen bijna alles over elkaars zaken. Die lunchtafel staat symbool voor die manier van werken.”

Gerard van Asperen kan het weten. Hij begon samen met Peter Ingelse eind jaren zestig een advocatenkantoor dat zich richtte op het verdedigen van mensen met weinig geld. „Ons uitgangspunt was dat je minder bedeelden moest beschermen tegen de macht van de overheid. Dat was de sociale advocatuur in zijn klassieke vorm.”

Op het kantoor van Ingelse en Van Asperen ontstond de werkwijze die in Pleidooi werd uitgebeeld. Van Asperen: „In ons maatschapsovereenkomst stond ook dat het aangenaam en gezellig moest zijn op kantoor. Dat we niet te hard wilden werken en dat het niet alleen om de poen moest gaan.”

In die werksfeer leren Bénédicte Ficq, Leon van Kleef en Nico Meijering elkaar midden jaren 80 kennen. Ze beginnen er alle drie als stagiair-advocaat op het kantoor van Van Asperen, dat inmiddels is omgedoopt in Van Asperen De Roos en Pen. In 1990 worden de drie jonge advocaten partner van het kantoor in de Amsterdamse grachtengordel.

Maar dat duurt niet lang. In 1992 besluiten Ficq, Van Kleef en Meijering om voor zichzelf te beginnen. Samen met Henri Seegers, een zelfstandig advocaat die op dat moment kantoor hield bij Van Asperen, De Roos en Pen. Over de achtergronden willen de drie niets kwijt, maar duidelijk is dat het vertrek van Van Asperen, die een vestiging in Maastricht begon, een rol heeft gespeeld. Ook voormalig compagnon Jurjen Pen houdt zich op de vlakte over de breuk. „Er bestond een verschil van inzicht over de stijl van werken”, zegt Pen. „Het was voor iedereen het beste dat zij samen verder gingen.”

Het kantoor in de Vondelstraat dat Meijering, Van Kleef, Ficq en Seegers in 1992 betrokken, doet anno 2009 eerder denken aan een verhuisbedrijf dan aan een advocatenkantoor. Overal in het pand staan hoge stapels verhuisdozen tegen de muur. In elk van die dozen passen acht tot tien ordners. En in zo’n ordner zitten al snel vierhonderd pagina’s papier. „We worden overladen met dossiers”, zegt Ficq. „Als het zo doorgaat, moeten we naar een groter kantoor omdat we al die dossiers hier niet meer kunnen bergen.”

Hoewel bijna 70 procent van hun zaken toevoegingen zijn waarbij de staat de advocaatkosten betaalt, legt de groei het viertal geen windeieren. Volgens de laatst beschikbare cijfers uit 2005 zette het kantoor ruim anderhalf miljoen euro om. Naast de vier partners heeft het kantoor vijf advocaten in dienst, van wie er twee de laatste twee jaar bijkwamen.

Bénédicte Ficq is al jaren een van de toonaangevende advocaten in moordzaken. Zo stond ze bijvoorbeeld Marcel T. bij, de man die vorig jaar werd veroordeeld voor de moord op activist Louis Sévèke. In het verleden deed ze veel drugszaken, maar die laat ze nu liever over aan „de jongens”, zo zei ze vorig jaar in Vrij Nederland, verwijzend naar haar drie partners.

Twee van de jongens, Meijering en Van der Werf – hij nam in 2007 de plaats in van Seegers –, speelden een belangrijke rol tijdens de vorig jaar gesneefde zaak tegen de Hells Angels. Strafrechtelijk liep die zaak stuk nadat was gebleken dat vele tientallen afgeluisterde telefoongesprekken tussen de verdachten en hun advocaten niet waren vernietigd, zoals het Wetboek van strafrecht voorschrijft. Ook de civiele procedures om de Hells Angels te verbieden, liepen stuk.

De derde jongen van Ficq, Leon van Kleef, treedt iets minder vaak op de voorgrond. Mede door zijn goede beheersing van het Spaans – een bijproduct van zijn belangstelling voor tangodansen – treedt hij vaak op in cocaïnezaken. Die halen de publiciteit niet zo vaak.

Ruim vijftien jaar na de breuk met Van Asperen, De Roos en Pen hebben Ficq en haar jongens Van Kleef, Meijering en Van der Werf hun plaats in het advocatenwereldje gevonden. Grote jongens uit het milieu weten hun weg naar de Vondelstraat te vinden. Greg R., bijvoorbeeld, een meermalen veroordeelde drugshandelaar die de twijfelachtige eer geniet om patroon te zijn van een heuse Nederlandse misdaadfamilie. En Dino S., een voortvluchtige crimineel die door velen wordt gezien als de rechterhand van Willem Holleeder. Dino S. wordt verdacht van drugshandel en betrokkenheid bij liquidaties.

Volgens Jan Boone, met zijn 69 jaar de éminence grise van de Nederlandse strafrechtadvocaten, behoort het kantoor bij de beste tien van Nederland. „Ze zijn niet bang voor hun carrière en hebben hun zaakjes altijd goed voor elkaar. Dan komt het succes vanzelf.”

De grote vraag blijft waarom een kantoor met zijn roots in de sociale advocatuur zo populair wordt in de wereld van de zware jongens. Vanwege hun rol in de grote liquidatiezaak die vandaag begint, worden ze in de wandelgangen van de rechtbank inmiddels ‘het liquidatiekantoor’ genoemd. Pikant detail: twee van de vijf officieren die bij dit onderzoek betrokken zijn, Hans Oppe en Betty Wind, liepen tijdens hun opleiding tot officier van justitie stage bij Ficq, Van Kleef en Meijering.

De rode draad in hun optreden is diepgeworteld wantrouwen jegens het Openbaar Ministerie. „Mijn passie is om tussen mijn cliënt en een opdringerige overheid te staan”, zo vertelde Nico Meijering vorig jaar aan Vrij Nederland. Bij het Openbaar Ministerie heerst een cultuur van alles is geoorloofd, vindt Meijering. „Zolang je maar niet betrapt wordt.”

Het is Meijering ten voeten uit, vindt Jan Boone. „Nico is een goede en slimme advocaat en hij is niet bang. Maar soms overschreeuwt hij zich een beetje. Daardoor ontstaat soms het beeld dat hij wel heel erg voor zijn cliënten gaat liggen. Ik vraag me wel eens af of dat nou zo handig is.”

Gerard van Asperen herkent de kritiek van Boone, maar is het er niet helemaal mee eens. „Nico is een bijtertje. Ik weet dat zijn manier van pleiten bij rechters nog wel eens irritatie oproept”, aldus Van Asperen, die patroon was toen Meijering werkte als stagiair-advocaat. „Maar dat is niet altijd terecht. Bénédicte Ficq roept minder weerstand op omdat zij is opgegroeid in een milieu waar de taal van rechters werd gesproken. Rechters zouden door zo’n verschil in stijl heen moeten prikken. Het gaat om de inhoud.”

Volgens Van Asperen staat de manier van optreden van Meijering en zijn kantoorgenoten veel minder ver af van de sociale advocatuur dan mensen denken. „Je komt als advocaat op voor mensen die zich in hun eentje moeten verdedigen tegen een groot en machtig overheidsapparaat”, aldus Van Asperen. „Dat wekt al snel de indruk van een verbond tegen de boze samenleving.” Het is volgens Van Asperen wel van belang dat een advocaat in dit soort zaken de regie over zijn eigen optreden behoudt. „Dominus litis. De advocaat is de baas, anders word je chantabel.”

Toch is er vanuit dat perspectief niet zo’n groot verschil tussen het verdedigen van een arme sloeber die een fout heeft gemaakt en het bijstaan van een grote crimineel, vindt Van Asperen. „De rechtstaat begint te knarsen als de georganiseerde misdaad te veel invloed krijgt. Om die invloed in te perken, verkent het Openbaar Ministerie de grenzen van de rechtstaat op bij de opsporing van dit soort criminaliteit. En levert spanning op.”

Het is dit spanningsveld dat de verdediging van de georganiseerde misdaad voor Ficq, Van Kleef Meijering en Van der Werf interessant maakt. Dat ze om die reden inmiddels als ‘het liquidatiekantoor’ door het leven gaan, interesseert Bénédicte Ficq helemaal niets. Ze wordt gedreven door de juridische vraag of je mensen kunt veroordelen op basis van verklaringen van een kroongetuige die zelf als huurmoordenaar heeft gewerkt.

„Het Openbaar Ministerie hoort zich magistratelijk te gedragen, te strijden met open vizier. Maar in plaats daarvan bedienen sommige officieren zich soms van smerige trucs en gedragen ze zich net zo boefachtig als de boeven die ze willen vangen”, vertelde Ficq vorig jaar aan NRC Handelsblad. „Dus ja, ik wil Dino graag bijstaan om het gevecht met die jongens aan te gaan.”

Actuele verslagen over het liquidatieproces op nrc.nl/onderwereld