ING-redding van Bos creëert nodeloos risico

Minister Bos had de Amerikaanse dochter van ING ook kunnen verkopen aan een Amerikaanse bank, net zoals bij soortgelijke ‘federal savings banks’ is gebeurd, stelt M. Romyn.

ING Direct is in de VS in moeilijkheden gekomen doordat deze dochter van ING daar deed wat Icesave deed in Nederland, namelijk een fractioneel hogere rente bieden op spaarrekeningen dan de concurrentie om het binnengehaalde geld vervolgens te beleggen in relatief riskante vorderingen. Deze zogenaamde Alt-A hypotheken dreigden om „accountantstechnische redenen” te moeten worden afgewaardeerd tot de sterk gedaalde marktwaarde. Doordat dochter ING Direct in de jaarrekening van ING Groep NV moet worden geconsolideerd, zou dit tot een fors vermogensverlies leiden bij de moeder.

Minister Bos (PvdA, Financiën) was bang dat dit verlies vervolgens zou leiden tot een massaal terugtrekken van gelden bij ING-dochters Postbank NV en ING Bank Nederland NV, waardoor deze twee Nederlandse banken in betalingsproblemen zouden komen. Daarom kwam hij met ING overeen dat de staat het belang in de Amerikaanse hypotheekportefeuille voor 80 procent overneemt.

De Tweede Kamer lijkt met grote tegenzin akkoord te gaan met de overeenkomst. De belastingbetaler wordt opgezadeld met een megavariant op Legiolease: elk jaar forse bedragen betalen (dit jaar 3,9 miljard dollar) met het risico dat je aan het einde van de rit (uiterlijk in 2047) aanzienlijk minder terug hebt gekregen dan je hebt betaald.

Net zoals bij het oorspronkelijke Legiolease is de aanbieding voorzien van een analyse van een vermogensbeheerder die verschillende scenario’s schetst, maar suggereert dat de kans op winst toch stukken groter is dan die op verlies. En net zoals door de verkopers van Legiolease worden sceptici door Bos en DNB-president Wellink als ondeskundig op hun plaats gezet. Die sceptici menen dat de staat te veel betaalt gezien het risico dat wordt gelopen en dat het afgaan op slechts één externe waardering voor een transactie met een omvang van 28 miljard dollar niet bepaald prudent is. Het lijkt erop dat in de haast van de besluitvorming alternatieven niet goed zijn onderzocht.

Het plan is bovendien gebaseerd op een misvatting. Rekeninghouders van de Nederlandse bankdochters van ING lopen in beginsel geen risico voor de beleggingen van ING Direct in de VS, omdat die Amerikaanse dochter juridisch een afzonderlijke entiteit is waarvan de aandeelhouder onder Amerikaans federaal recht beperkt aansprakelijk is. Dat de bezittingen en schulden van de Amerikaanse dochter onder de jaarrekeningregels en onder de Wet op het financieel toezicht door ING Groep als moeder moeten worden geconsolideerd, staat daarbij niet in de weg. Bos gaat er kennelijk vanuit dat de Nederlandse spaarders het onderscheid tussen de juridische werkelijkheid en de boekhoudregels niet zullen maken.

De Amerikaanse dochter van ING is een federal savings bank en staat onder rechtstreeks toezicht van het Office of Thrift Supervision van het Amerikaanse Treasury Department – en niet van De Nederlandsche Bank. Vorderingen van spaarders op deze dochter vallen onder de verzekering van de Federal Deposit Insurance Corporation (FDIC). Voor een echtpaar kan die verzekering oplopen tot een bedrag van 1.000.000 dollar. De Nederlandse depositogarantieregeling is niet van toepassing.

Dat maakt het belang van de Amerikaanse overheid bij de financiële gezondheid van ING Direct minstens zo groot als dat van de Nederlandse. Op het ranglijstje van federal savings banks gemeten naar bezittingen staat ING Direct in de VS op plaats 2. De nummers 1, 3 en 4 zijn Countrywide Bank, Sovereign Bank en Wachovia Mortgage. Deze concurrenten zijn het afgelopen jaar stuk voor stuk verkocht aan gezonder geachte banken.

Een soortgelijke verkoop van ING Direct had een alternatief kunnen zijn, maar is kennelijk niet onderzocht. De afwaardering van de hypothecaire vorderingen ten laste van het vermogen van ING Groep zou ook worden voorkomen als de staat of De Nederlandsche Bank de ING Groep had gedwongen meer dan 50 procent van de aandelen in de Amerikaanse dochter te verkopen. Dan zou ING Direct niet meer behoeven te worden geconsolideerd en doet de marktwaarderegel geen pijn meer. Desnoods had de staat zelf de meerderheid van de aandelen kunnen verwerven, tegen een prijs die slechts een fractie is van de 28 miljard dollar waarvoor de staat nu risico loopt.

Omdat ING Direct juridisch zelfstandig is, kan men zich afvragen welk Nederlands belang met de ‘back-up facility’ die Bos is overeengekomen, wordt gediend. Gedwongen verkoop had de Amerikaanse risico’s grotendeels gelaten waar zij horen, namelijk bij Amerikaanse overheidsinstanties zoals de FDIC. Uit niets blijkt dat Bos zijn onderhandelingspositie, die is gebaseerd op de Amerikaanse depositogarantie, heeft uitgebuit.

Mr. M. Romyn was advocaat in New York.