Het gaat om samen maken en kijken

Tentoonstelling: Coalesce: Happenstance. T/m 9 maart in SMART Project Space, Arie Biemondstraat 105-111, Amsterdam. Dagelijks 12-22 uur, zo. 14-22 uur. ****

In SMART Project Space heerst een vrolijke chaos. De muren zijn beplakt met posters in zwart-witte Op Art-patronen waar zwarte verf overheen is gespoten. Andere muren zijn beschilderd met gestileerde afbeeldingen die doen denken aan appelschillen. De tekst ‘Happenstance: With all due intent’ is in grijze letters over de muur geplakt. In de zaal ligt een platform van zeskantige tegels op de vloer, bedekt met tapijt. Er liggen slaapzakken op. Op een billboard staat in gele bloemletters: ‘Protest is beautiful’.

Deze internationale groepstentoonstelling is getiteld Coalesce: Happenstance. Er doen vijftig kunstenaars tussen de 30 en 50 jaar aan mee. Vaak is onduidelijk waar het ene kunstwerk begint en het andere ophoudt, en of iets überhaupt een werk is, zoals een A4’tje wapperend boven een radiator. Er zijn opgevouwen verhuisdozen waarop je kunt zitten om naar video’s te kijken. In de achtereenvolgende ruimten zijn posters, platforms en slaapzakken terugkerende elementen. Soms is er een afzonderlijk werk dat je herkent. De grijze tekst is van Lawrence Weiner. De platforms blijken van Richard Venlet, een Belgische kunstenaar die ‘de tentoonstelling’ thematiseert in zijn werk. Jaime Gili is in de weer met de zwarte verfspuitbus, Claire Goodwin maakt objecten met kartonnen dozen. Toby Huddlestone toont een een mooi, absurd videowerk, Walking the same speed as people, waar mensen met elkaar meelopen in een zonnige straat, zonder dat duidelijk is wie met wie meeloopt.

De revolutionaire geest van Fluxus waart rond op deze tentoonstelling. Coalesce, ‘samensmelten’, is de vijfde en voorlopig laatste aflevering van een reeks tentoonstellingen sinds 2003 in verschillende steden in Europa. Elke keer wordt er een woord aan toegevoegd, zoals ‘the remix’ of ‘mingle mangle’ en in Amsterdam ‘happenstance’, toeval. De kunstenaars maken de tentoonstelling samen en vermengen hun werken.

Het resultaat is een collectief geheel in plaats van een combinatie losse werken. Coalesce wil, naar een idee van de Britse kunstenaar Paul O’Neill (1970), de positie van de tentoonstellingsmaker als ‘meesterplanner’ aan de kaak stellen. Het maken van kunst en de tentoonstelling zijn niet te scheiden. Er is wel een structuur aangebracht, bestaande uit een ‘achtergrond’ (de ruimte zelf) ‘middengrond’ (meubilair en wanden) en ‘voorgrond’; werken die intact arriveren en niet aangepast kunnen worden door een interventie van de tentoonstellingsmaker(s).

Coalesce past in een tendens van experimentele tentoonstellingsvormen waarbij kunstwerken niet per se afzonderlijk herkenbaar zijn. Zo waren vorig jaar op de tentoonstelling Who’s afraid of Jasper Johns? in de galerie van Tony Shafrazi in New York werken van 22 kunstenaars te zien die over elkaar heen hingen en elkaar overlapten. Zulke experimenten met tentoonstellingsmodellen werken bevrijdend. Ieder kunstwerk kent meer gedaanten, iedere nieuwe context lokt nieuwe interpretaties uit. Het is belangrijk dat kunstenaars hierbij het voortouw nemen, omdat zij begrijpen wat de materiële aanwezigheid van een kunstwerk doet. Coalesce legt niet één interpretatie aan de werken op, zoals meestal bij groepstentoonstellingen. Het gaat hier om maken en kijken, en dat is heel inspirerend.