Haar pootjes had ze gepositioneerd in die klungelige Bambi-pose

Mijn vakantie in Florida was heerlijk. Door de recessie was er in elk hotel plek. De zon scheen. En er waren minihertjes.

Over die minihertjes wil ik graag even uitwijden. Al voor mijn vakantie had ik een vrij levendige obsessie ontwikkeld voor deze diersoort. Ik had over hun bestaan gelezen in mijn reisgids, die erbij vermeldde dat ze schuwe, introverte wezens waren die zich zelden aan mensen lieten zien.

Dat zou best zo wezen, dacht ik, maar ik moest en zou ze zien. Dus reden we naar Big Pine Key, een eiland in de zuidelijkste punt van Florida, waar de miniherten zouden wonen.

In Big Pine Key zagen we geen miniherten, maar wel een bord waarop stond dat er dit jaar al achtentachtig miniherten waren doodgereden. Dat gaf hoop. Ze waren er dus.

Toen we de parkeerplaats van een hotel in Big Pine Key opreden, stond daar, in al haar kleine glorie, een minihert. Ze was ongeveer zo groot als een hond en keek ons met enorme, natte bruine ogen aan. Haar pootjes had ze gepositioneerd in die klungelige Bambi-pose waar herten zo beroemd om zijn. Ze voldeed, kortom, aan al mijn hooggespannen verwachtingen rondom miniherten.

Voorzichtig stapten wij uit en benaderden het minihert. Ze bleef gewoon staan. We besloten onmiddellijk een kamer bij het hotel te boeken. Misschien zouden we dit hert dan nog een keer zien.

Dat gebeurde. Vaak. En dit hert was niet het enige. Een stuk of tien miniherten dartelden onophoudelijk om het hotel heen. ’s Ochtends meldden ze zich bij het ontbijt. ’s Middags, als ik in mijn hangmat uit een dutje ontwaakte, stond er altijd een minihert laconiek naar me te kijken. ’s Avonds speelden de miniherten uitgelaten op de snelweg die dichtbij het hotel lag, waardoor de bewoners van Big Pine Key zich nooit met meer dan vijftien mijl per uur konden verplaatsen.

Er waren ook mannetjes-miniherten, met minigeweitjes. Het meest bijdehante mannetjes-minihert heette Buckey, vertelde de hoteleigenares.

Na een paar dagen was ik er volledig aan gewend dat ik bij alles wat ik deed, werd gevolgd door minstens zes miniherten.

Op de laatste dag van de vakantie zag ik hoe Buckey de kamer van twee andere hotelgasten probeerde binnen te dringen, omdat hij geïnteresseerd was in een aangebroken cupje koffiemelk dat hij daar zag.

„Jullie zijn een plaag”. zei ik tegen het minihert dat op dat moment naast me stond.