Een rare man voelt niet meer als een vader

Alma Mathijsen was negen jaar toen zij haar vader verloor.

Op verzoek van nrc.next beschrijft zij hoe het is om als kind je vader te verliezen.

Roos schudde haar hoofd hevig op en neer en zei: „Doe dan, doe dan!” Ik was negen en mijn vader werd begraven. Met bevende vinger drukte ik het knopje in de limousine naar beneden. Het donkere scherm tussen de chauffeur en mijn vriendinnetjes zakte traag naar beneden. Iedereen probeerde zijn lachen in te houden en beet op zijn lip. Toen we het achterhoofd van de chauffeur zagen, schaterden we van het lachen. De man draaide zijn hoofd opzij en keek ons nors aan. Dat hoorde nu eenmaal bij zijn baan. Schaatskoninginnen moeten altijd een stralende lach feller dan de zon op hun gezicht hebben, begrafenisondernemers moeten altijd een uitgedroogde worst als mond hebben en uitgedoofde ogen. Zijn blik hield ons niet tegen, we lachten zelfs harder. Hij drukte zijn knopje in, het scherm ging voor hem veel te langzaam omhoog.

Voor de kerk moesten we allemaal uitstappen. Mijn vader was al binnen. Of in elk geval iets dat volgens de andere mensen mijn vader zou zijn. Een paar dagen voor de begrafenis moest ik van mama mee om naar hem te kijken. Ik begreep er weinig van. De andere mensen in de kamer moesten huilen, vooral mijn mama. Die zat steeds aan zijn handen, omdat ze niet warm maar koud waren. Ik hoefde dat niet te voelen, aan de dode mensen zitten vond ik niet leuk. Bovendien was het toch niet mijn vader die daar lag. Dit was niemand, niemand, met de kleur van opgeklopt eiwit. Ik haatte het in die kamer.

Ik zette mijn voet op de grond. Mijn lakschoentje, dat ik speciaal voor die dag mocht aantrekken, blonk net zo mooi als de zwarte wagen. Ik had zoveel zin in de hele dag. Mijn hele klas was er en we hoefden niet eens naar school op een doordeweekse dag. Alle ooms en tantes waren er, zelfs de leuke die normaal op familiedagen weg blijven.

Al meteen toen ik de kerk binnenstapte, zag ik dat sommige mensen een cadeautje mee hadden gebracht, dat kon niet anders dan voor mij zijn. Iedereen was heel lief. Tijdens de ceremonie heb ik een keer achterom gekeken. Mijn ogen ontmoetten direct die van mijn twee lievelingsleraren, Frank en Loes, ze staken hun duim in de lucht. Maar ik begreep niet waarom.

Na afloop kreeg ik heel veel handen. Mensen zeiden allemaal hetzelfde woord, dat ik nog nooit eerder had gehoord. Van tevoren had mijn moeder gezegd dat ik dan dankjewel moest zeggen. „Dankjewel”, zei ik. Elke mevrouw of meneer zei het woord net iets anders. Eén begon zelfs in het Frans tegen me te praten, wat me stom leek omdat we in Nederland waren. Toch probeerden ze allemaal om het woord bij mij aan te laten komen. Niemand keek weg, iedereen vond het een heel belangrijk woord. Ik vond het een raar woord, met te veel lettergrepen.

Vijf sterke mannen moesten de kist waar mijn vader in zou liggen naar buiten tillen. Weer mocht ik in de limousine. Ditmaal reed de kist ook mee. Op het laatst begon de chauffeur heel traag te rijden. Daardoor konden we elkaar niet meer plat drukken in de bocht. Mijn oom zat in de auto achter ons, hij glimlachte en ik zwaaide. Op de begraafplaats regende het, de vijf mannen zetten stappen in het grind. Iedereen was heel erg stil. Ik wilde niet stil zijn, want onder de heg liep een muis met een vlek om zijn rug. Hij at iets zwarts, ik hoopte dat het een tor was. Ik wilde het tegen mama zeggen, maar zij leunde op mijn tante en leek niet te willen praten over muizen.

De volgende dag wilde ik naar school, mama had gezegd dat het helemaal niet hoefde. Iets wat ik heel vreemd vond, omdat ik altijd van haar naar school moest, ook als de kots uit mijn mondhoeken droop. In de klas was iedereen rustig. De meester had gevraagd of ik wilde vertellen over wat er allemaal gebeurd was. Voor mij was het onduidelijk waarom ik moest vertellen over de afgelopen week. Een dode vader maakte mij niet interessant. Althans dat geloofde ik eerst. Mijn klas die normaal schreeuwde, brulde en met geen liniaal was stil te krijgen, zat vol aandacht doodstil op de stoel naar mij te luisteren.

Ik heb de gemakkelijkste spreekbeurt uit mijn hele leven gegeven. Ik hoefde er geen boek voor open te slaan, notities waren overbodig want ik wist alles uit mijn hoofd en zenuwachtig hoefde ik niet te zijn want niemand in de klas, zelfs de meester niet, kon meer informatie hebben over dit onderwerp dan ik. Het liefst had ik ze nog meer verteld over de limousine, die net zo groot was als twee uitgestrekte mensenhaaien, de vleesetende muis of over de portemonnee met 25 gulden die ik geërfd had. Toch voelde ik ergens dat zoiets niet zou passen. Dus vertelde ik dat een violist nooit op zijn handen valt.

Mijn vader viel op zijn longen. Precies een week eerder. In een steegje om de hoek van zijn lievelingscafé, waar ik alleen overdag mocht komen. De volgende dag sliep hij niet meer bij mama in bed, want hij hoestte te hard. De dag daarna kon hij niet meer praten en vond ik hem een rare man. Een rare man voelt niet als een vader. Daarom wilde ik hem niet meer zien toen mijn moeder vroeg of ik mee wilde gaan naar het ziekenhuis. Ik moest bij de overburen slapen. Na twee nachtjes omhelsde mijn moeder me heel erg lang.

De klas was de hele tijd muisstil gebleven, ik had ze nog nooit zo gezien. In de pauze speelde iedereen met me. Met vijf verschillende jongens danste ik over het schoolplein. Ik elastiekte het langst van alle meisjes, zelfs langer dan de elastiekkoningin Emma. Van de meester mochten we vijftien minuten langer buitenspelen. Het zit in mijn hoofd als een van de leukste dagen op de basisschool.

Thuis waren er steeds tantes, want zij wilden niet dat mijn moeder alleen was. Dat was best fijn, want ik hoefde minder af te wassen en mocht meer televisie kijken. Na een paar weken vroeg mijn mama of ik mee wilde naar de begraafplaats om naar de steen te kijken. Ik vroeg: „Ga je dan huilen?” Ze schudde van nee. „Dan ga ik mee.”

Ook nu kom ik nog weleens bij die steen. Twee keer per jaar om precies te zijn, op zijn verjaardag en sterfdag. De ene dag is niet anders voor me dan de andere. Beide zijn het dagen waarop ik viooltjes in de grond steek. Daarvoor hoef ik nooit te knielen, dat doe ik zittend op de aarde waaronder de botten liggen.

Ik verbied mezelf te graven. Ik druk de wortels zachtjes de grond in en laat de aarde ongestoord.

Alma Mathijsen (24) studeert aan de Rietveld Academie in Amsterdam en is medewerker van nrc.next. Zij schrijft aan haar tweede boek. Daarna wil zij een boek schrijven over het verlies van haar vader.