Zeven oostelijke Skythen gruwelijk vermoord in Mongolië

Bij een archeologische opgraving in West-Mongolië zijn de resten gevonden van tien leden van de Pazyryk-nomadenstam, zeven mannen, een vrouw en twee kinderen – die daar 2500 jaar geleden leefden. Het is een van de eerste opgravingen naar deze cultuur. Voor iedere volwassene was ook een paard begraven. Zeven van de mensenskeletten toonden ernstige verwondingen, met het type wapens dat ook in de graven teruggevonden is: pijlpunten, strijdbijlen en dolken. Het zijn ook alle verwondingen die wijzen op gevechten, niet op rituele mensenoffers. Deze mensen leefden duidelijk hetzelfde gewelddadige leven dat uit antieke bronnen (vooral Herodotus) bekend is van de Skythen, een paardenvolk dat in dezelfde tijd leefde rond de Zwarte Zee. De steppen van Mongolië staan in directe verbinding met dat gebied en de vondst van de graven is een bewijs te meer voor de culturele continuïteit in de Euraziatische steppen. De Pazyryk worden wel Oostelijke Skythen genoemd. Veel van hun graven zijn geplunderd door grafrovers (Journal of Archaeological Science, online: Article in Press).

Vijf van de zeven mensen met verwondingen waren zeker aan die verwondingen overleden, waaronder de vrouw en een kind. Een man van rond de veertig was de schedel ingeslagen met een strijdbijl. Daarna was hij gescalpeerd, zo kan worden afgeleid uit snijsporen op de schedel – een gewoonte die Herodotus ook beschrijft voor de Skythen. Een ongeveer 45-jarige man was dodelijk met een pijl in zijn voorhoofd geschoten – de typische driehoekige vorm van de Pazyryk-pijlpunt in het bot achterlatend. De vrouw van 25 à 30 jaar was met een dolk in de borst gestoken, waarna ze hoogstwaarschijnlijk overleed aan een longwond. Een oudere man had een akelige en fatale breuk in zijn heiligbeen, in het bekken. Een 8 à 9 jarig kind was in de rug gestoken. Andere skeleten vertoonden vergelijkbare wonden die weer dichtgegroeid waren. Hendrik Spiering