Zelf overleven

Denk Vooruit heet de overheidscampagne die Nederlanders aanmoedigt om zich op rampen voor te bereiden. „Als het hout op is, zeg ik tegen mijn vrouw, gaan we boeken verbranden.”

Op een zonnige winterochtend kwam de postbode met een kartonnen doos aanzetten. In de doos zat een vrolijk gekleurd plastic tonnetje. We schroefden de rode deksel eraf en inspecteerden de inhoud. Een kerstpakket hadden we dit jaar niet gekregen, maar het tonnetje maakte veel goed. Veel kaarsen en waxinelichtjes, een radio die je kon opwinden, een doosje met waterbestendige lucifers, een komfoortje met esbit-blokjes. Daarna werd de inhoud wat grimmiger. Een tasje met verbandgaas, pleisters en een flesje betadine. Verder drie warmhouddekens van goudkleurig folie. Een plastic fluitje en een felgeel zeil waarop drie enorme zwarte letters waren aangebracht: S.O.S.

Het is de inhoud van het Novelties-noodpakket, een van de pakketten die door het ministerie van Binnenlandse Zaken is goedgekeurd in het kader van haar recente campagne ‘Heeft u al een noodpakket?’. Het kan namelijk gebeuren, zo zegt het ministerie op de nieuwe website denkvooruit.nl, dat voor langere tijd de stroom uitvalt, de verwarming niet meer werkt of er geen water uit de kraan komt. „Dan heeft u de belangrijkste spullen in huis die handig zijn in zo’n situatie.”

Want je moet jezelf in zo’n geval drie dagen kunnen redden, daar probeert Binnenlandse Zaken de bevolking sinds kort van te doordringen. De eerste hulp wordt bij een ramp aan mensen gegeven die zichzelf niet kunnen redden, legt de woordvoerder van het ministerie uit. We moeten bijvoorbeeld aan ziekenhuizen denken. Daarna komen de andere mensen aan de beurt.

Jezelf redden. De overheid morrelt voorzichtig aan het idee dat blijkbaar bij veel burgers leeft: dat er meteen tankwagens met warme soep door de straten gaan rijden als het gas uitvalt. Dat er huis aan huis noodaggregaten en elektrische kachels worden uitgedeeld als ook de elektriciteit het begeeft. Dat alle huisdieren door gediplomeerde dierverzorgers in een enorm noodasiel worden ondergebracht als hun baasjes door de vogelgriep zijn geveld. Dat geestelijke verzorgers de bevolking moed in komen spreken.

Geen gekke strategie, zeker nu de burgerij steeds assertiever wordt. Als er werkelijke een catastrofe plaatsvindt die een paar dagen duurt en een groot gebied treft, zal iedereen verwachten dat de autoriteiten het gaan regelen. Het noodpakket wil zeggen: stelt u zich daar niet te veel van voor.

Wat zou er kunnen gebeuren? De burger wordt op de site www.denkvooruit.nl aangeraden op internet de risicokaart te raadplegen (www.risicokaart.nl). Dat is een kaart waarop je kunt inzoomen op je woonplaats en waarop de belangrijkste bedreigingen zijn ingetekend. Erg geruststellend is de aanblik niet. Duivendrecht, het dorp onder de rook van Amsterdam waar ik woon, is omgeven door rode stippen, rode driehoeken, spoorlijnen en wegen waarop gevaarlijke stoffen worden vervoerd. De stippen stellen LPG-tanks voor, ammoniakopslagplaatsen en chloortanks.

Ik bel met het gemeentehuis om eens te horen met welke rampen we rekening moeten houden. Nou, zegt de ene gemeente-ambtenaar, je hebt natuurlijk de gevaarlijke stoffen via het spoor en via de weg. Worden over het spoor dan gevaarlijke stoffen vervoerd? „Nee”, zegt een andere gemeenteambtenaar. „Jazeker”, houdt de eerste vol. „Prorail zegt van niet, maar dat geloof ik niet.”

Dan maar een ander gevaar. Een ammoniakwolk uit de tank bij de Jaap Eden kunstijsbaan? Een kernbom? Een terroristische aanslag? Je kunt je er nauwelijks op voorbereiden.

Een overstroming biedt meer aanknopingspunten. Intikken van mijn postcode op de site waar alle Nederlandse hoogteverschillen zijn te vinden (www.ahw.nl) had me geleerd dat we op anderhalve meter onder de waterspiegel wonen. „Een overstroming? Dat is theoretisch”, stelt de gemeente me gerust.

Maar het kabinet zal de Taskforce Management Overstromingen (TMO) toch niet voor niets hebben ingesteld? Hun aanbeveling dat Nederland zich goed moet voorbereiden op de gevolgen van een grote overstroming zal toch wel érgens op zijn gebaseerd?

Ik besluit, net als de TMO, rekening te houden met een EDO, een Ergst Denkbare Overstroming. Bij Groenland ontwikkelt zich een zeer sterke stormdepressie met extreem krachtige windvelden. Ongekend hoge waterstanden en reusachtige golven op de Noordzee zijn het gevolg. Tot overmaat van ramp is het springtij. Ik inspecteer het noodpakket op zolder. Ook brengen we een paar potten pindakaas, koffie, thee en een paar pakken crackers naar boven. Extra wc-papier. We verversen de inhoud van de jerrycan met 20 liter drinkwater en sjouwen voor de zekerheid nog een krat bronwater de trap op. Drie liter per persoon per dag heb je nodig, dus met zijn tweeën moeten we het wel een week kunnen volhouden.

Dan begint het. De Hondsbossche zeewering breekt door. Schuimend zeewater overspoelt Noord-Holland. De elektriciteit valt uit en pompen en gemalen slaan af. Al gauw komt het water uit de brede sloot achter ons rijtjeshuis de tuin inzetten. Even later klotst het tegen de schuifpui. De eerste plassen kruipen over het linoleum. Een uur later staat er twintig centimeter water in de huiskamer. We lopen op laarzen langs drijvende krukjes en proberen de onderste rijen boeken en cd’s te redden. De luidsprekerboxen vallen om.

We winden de noodradio op en stemmen af op de rampenzender. In dat geval moet je niet naar radio 1 luisteren, maar naar de regionale zender. Ooit heb ik met viltstift op de radio geschreven dat die op 88,9 megahertz uitzendt. De toestand is ernstig, maar onder controle, zegt de commissaris van de koningin. De hulpverlening komt op gang. Alleen moeten we het water uit de kraan niet opdrinken, want dat is mogelijk verontreinigd met de E-coli bacterie. Mensen wordt aangeraden het water eerst te koken. Maar hoe? Elektriciteit is er niet meer en de gasleverantie is uit veiligheidsoverwegingen stilgelegd. De Esbit-brander uit het noodpakket schiet hier tekort en het campinggasje uit de kampeeruitrusting op zolder heeft ook maar een beperkte capaciteit. Gelukkig hebben we onze jerrycan.

We zetten de laptop aan om op www.crisis.nl de laatste aanwijzingen te zien. Maar dat lukt niet, want het modem krijgt geen stroom meer. We proberen vrienden en familie te bellen. Dat gaat ook niet. De vaste telefoonverbinding ligt eruit. Sinds we zijn overgegaan op internetbellen is ook die afhankelijk van het lichtnet. Dan maar met onze mobieltjes. Maar het netwerk is overbelast. We proberen een sms-je te versturen naar de kinderen die in Amsterdam wonen. Ook dat gaat niet. Dan herinneren we ons wat we ooit hebben bedacht toen we lazen over de overstroming in New Orleans: spreek een adres in een ander deel van het land af, en hou dat als centraal meldpunt. We sms-en naar vrienden op de hoge zandgronden, en hopen dat de kinderen dat ook hebben onthouden. Na een half uur proberen vindt het sms-je een gaatje in het netwerkverkeer en glipt er doorheen.

Het wordt tijd om het hogerop te gaan zoeken. We trekken de diepvriezer open en halen er wat bevroren brood en een paar stukken vlees uit. Uit de wc golft donkere drab omhoog. We verzamelen paspoorten, rijbewijzen en autopapieren en een paar fotoalbums. We halen een rol vuilniszakken, oude kranten, een zak aardappelen, rijst, pasta, een paar blikken bonen en een pot sambal van de planken in de voorraadkast. Ik vul een mandje met gereedschap. Een hamer, een bijltje, de oplaadbare boormachine. Een grote rol tape, ijzerdraad. Op de tast vinden we een paar flessen wijn in het wijnrek. Het water staat nu tot ons middel. We waden naar de trap en klimmen omhoog.

Op de eerste verdieping is alles normaal. Maar als we uit het raam kijken, zien we dat we nu niet meer aan een woonerf, maar aan een brede gracht wonen. Onze auto is verdwenen, alleen de daken van een paar bestelbusjes en een SUV steken nog boven het water uit.

Het wordt nu echt koud, en al een beetje donker. Natte kleren uit en onder de wol dan maar. De noodradio staat op de rampenzender en die draait veel classic rock. De extra nieuwsberichten hebben een voorzichtige toon. Over aantallen slachtoffers wordt niet gerept. Wel schijnt in honderdduizenden woningen het water metershoog te staan. Evacuatie van grote delen van het land wordt voorbereid. We spreken elkaar moed in. We leven nog. Echt gevaarlijk is het niet meer. Ik probeer niet te denken aan datgene wat ik in het recente rapport van de Deltacommissie las: dat een overstroming van het westelijk deel van Nederland tot ernstige maatschappelijke ontwrichting zal leiden en ook onmiddellijk zware repercussies op de investeringsbeslissingen van het internationale bedrijfsleven zal hebben. Het land is waarschijnlijk bankroet.

We steken een paar waxinelichtjes aan en trekken een fles wijn open. We warmen een blik bonen op boven het Esbit-comfoor. Om beurten kijken we naar het water in het trappenhuis. Dat staat op ongeveer anderhalve meter, en blijft gelukkig op hetzelfde peil.

Met de buren communiceren we via het raam. Niemand weet wat. Lang duren de gesprekken niet, want er staat nog steeds een stevige storm. Ik stem af op de BBC. Ook in Engeland zijn overstromingen, maar niet zo erg als in „the low countries”, zegt het Engelse nieuws. Het aantal doden schijnt mee te vallen. Maar de „Dutch authorities” worden geconfronteerd met een enorm probleem: hoe moet je in een dicht bevolkt land een paar miljoen mensen evacueren?

We gaan slapen, maar een rustige nacht wordt het niet. Elk ogenblik schrikken we wakker en voelen met onze hand op de vloer. Helikopters vliegen af en toe over, zoeklichten dwalen over de huizen. De volgende ochtend klim ik de trap op naar de bovenste verdieping om pindakaas en brood te halen. Het uitzicht uit het zolderraam is adembenemend. Geen plantsoenen, stoepen en parkeerplaatsen maar een egale watervlakte waar huizen en flatgebouwen uit oprijzen. Een paar houten tuinstoelen drijven tussen de huizen door. Hier en daar zie ik een bootje varen, maar het is te ver om contact te maken.

Het huis is inmiddels in een vochtige steenklomp veranderd. Ik schud een metalen prullenbak leeg, trek in de slaapkamer een stuk vloerbedekking los en zet de prullenbak omgekeerd op een metalen dienblad. „Onze kachel”, verklaar ik. Mijn vrouw kijkt vanonder haar dekbed belangstellend toe.

Ik pak de boormachine en boor een ring van twintig gaatjes in de zijkant van de prullenbak. Met de hamer sla ik het plaatwerk er tussen weg. Een min of meer rond gat in de zijkant is het resultaat. Ik sloop de flexibele pijp die van de cv-ketel naar het dak loopt en prop die in het gat.

Ziezo, dat is de schoorsteen. Het raam op een kier en daar gaat de slang in. Ik sla met mijn bijltje een krukje aan spaanders, steek die aan en zet de prullenbak erover heen. Aan de voorkant zet ik de prullenbak op een steentje zodat er lucht kan toetreden. Het hout brandt, maar de prullenbak begint ongelooflijk te stinken als de verf heet wordt. Het raam gaat verder open en na een uur is de ergste stank weg. De prullenbak wordt gloeiend heet, maar het hout is bijna op. Er sneuvelt een oude stoel, een tafeltje en een kastplank die toch geen doel meer had. We gaan op kussens om het kacheltje zitten en zetten nog een kopje thee. Als het hout op is, zeg ik tegen mijn vrouw, gaan we boeken verbranden. We beginnen met de houthoudende reuzenpockets uit de jaren zeventig.

Voor het sanitair hebben we een praktische oplossing gevonden. Plassen gaat in een emmer, en die gooien we leeg uit het raam. Andere sanitaire verrichtingen geschieden op een krant. Die vouwen we behoedzaam dicht, en deponeren we in een verse vuilniszak. De vuilniszak wordt dichtgeknoopt en op zolder opgeslagen.

De buren hebben weer van hún buren gehoord dat in de Watergraafsmeer vijf meter water staat en dat in Betondorp de mensen op het dak van hun huis zitten.

De belastingconsulent die aan de overkant woont, heeft al zijn computers nog naar boven kunnen verhuizen, vertelt hij aan het raam. Zal er de eerstkomende jaren wel belasting worden geheven, vraag ik me af.

De noodradio is inmiddels onze beste vriend. Het is een weergaloos toestelletje dat niet alleen zenders uit de ether plukt, maar tegelijk ook een heldere zaklantaarn met drie felle ledlampjes is. Een paar minuten draaien aan de slinger laadt de radio en de zaklantaarn weer voor uren op. Met een apart snoertje, dat ik net op tijd heb gekocht, kunnen we onze mobieltjes opladen. Maar er is geen netwerk meer.

De radio meldt dat de mensen in Watergraafsmeer, Diemen en Duivendrecht die acuut hulp nodig hebben een deken of laken buiten moeten hangen. Of natuurlijk het felgele S.O.S.-kleed uit het noodpakkket. Op een flatgebouw in de buurt verschijnt een laken, even later nog een.

De volgende dag zien we twee platte boten door onze wijk varen. Ze zijn van het leger. Een legt aan bij de flat met de lakens en twee oudere mensen worden uit het raam getild. De boot spuit weer weg. We roepen nog, maar ze horen ons niet.

De buren vragen of we zin hebben in een kop erwtensoep uit blik. Maar hoe komen we bij ze? Over het dak, suggereren ze. Ons zolderraam geeft toegang tot een plat dak. De storm is gaan liggen, een aarzelend zonnetje schijnt over de wijk. De buren staan al bij hun zolderraam en helpen ons naar binnen. Het is er lekker warm. De buurman heeft net op tijd de butagaskachel uit zijn caravan gehaald.

Het wordt een mooie avond, met wijn en kaarslicht. De buurman heeft op de radio gehoord dat de evacuatie van ons dorp morgen gaat beginnen. Maar het is niet verplicht, je mag blijven. Wat zullen we doen? In een verblijf in een sporthal hebben we geen zin en met onze voorraden kunnen we desnoods nog een week vooruit. Het water is iets gezakt, maar niet meer dan 10 centimeter.

We besluiten voorlopig nog te blijven. Om 12 uur lopen we over het dak weer terug naar ons eigen huis. Zo pikdonker en zo doodstil is het in Duivendrecht nog nooit geweest. Ontelbare sterren fonkelen aan de hemel. In de verte zingt een gezin.