Zelf duiven evolueren

Karel Knip

Was Darwin een dierenvriend? ’t Is niet erg als-ie het niet was, veel biologen kijken naar dieren zoals astronomen naar zwarte gaten, maar was-ie het? In de Origin of Species komt hij soms raar uit de hoek. Katten zijn dieren waar alleen vrouwen en kinderen van houden, het veredelen van duiven is leuk werk, want mislukte duiven eet je op. Van ‘wilden’ en Vuurlanders moest hij ook niet veel hebben.

Ja, Alfred Brehm van Brehms Tierleben, die hield van dieren. Hoor wat hij schrijft over de rotsduif, de Felsentaube zoals die in Duitsland heet. De rotsduif bewoont de steile klippen van Noordwest Europa , maar ook die van de Middellandse Zee, van Klein-Azië en zo verder tot in India. Hij leeft van koolzaad, raapzaad, erwten, linzen en lijnzaad en lijkt dus schadelijk, maar als men bedenkt dat hij ook de zaden van onkruid eet, dan oordeelt men toch heel mild over hem. De rotsduif is een bij uitstek vredelievende vogel: friedfertig und verträglich. Nu ja, misschien eerder nog: gleichgültig. De doffer roept tevreden marukuh murkukuk marhukuku, en het vrouwtje doet dat ook, maar hij kan er nog huhu of huhua aan toevoegen om haar te behagen of te lokken. Volgt een ontroerende beschrijving van het minnekozen tussen de duifjes.

Geen kwaad woord over de Felsentaube. Dat het dier geregeld struikelt van geilheid, dat zijn nest van stront aan elkaar hangt en dat zijn jongen niet om aan te zien zijn: Brehm zwijgt erover.

Brehm behandelde de rotsduif een paar jaar nadat Darwin het had gedaan, maar het diende een ander doel. In Brehms lijvige encyclopedie kregen alle dieren van de wereld een beurt. Darwin wilde, met de hete adem van de jonge Wallace in zijn nek, zijn lang gekoesterde theorie van de natural selection als motor achter de evolutie snel openbaar maken.

Wat moest hij met de rotsduif? Die gebruikte hij in het eerste hoofdstuk van zijn Origin om er de enorme variabiliteit onder gedomesticeerde soorten te plaatsen tegenover de veel minder hoge variabiliteit onder wilde soorten. En om uit te leggen waar het verschil volgens hem door kwam.

De rotsduif is de stamouder van de stadsduif, de stadsduif wordt beschouwd als een ondersoort of variëteit van de rotsduif en veel stadsduiven lijken nog sprekend op hem. Inclusief het marhukuku en inclusief de eigenaardigheid om nooit in bomen te nestelen of te overnachten. Wat er in Amsterdam in de olmen zit, is houtduif of turkse tortel, maar nooit stadsduif. De stadsduif zit op een richeltje van het paleis of liever nog in een donkere nis onder een brug. Ornitholoog Naumann had het al vastgesteld en Brehm heeft het herhaald: Die Baüme meidet sie gern. Darwin heeft er zelfs een onderscheidend criterium van gemaakt: duiven die niet in bomen willen zitten, stammen af van de rotsduif.

Als waar is wat Brehm over Darwin zegt, was Darwin de eerste die unzweifelhaft bewees dat álle tamme duiven – de postduif, de kortbekkige tuimelaar, de gewone tuimelaar, de slink, de kropper, het meeuwtje, de raadsheer, de pauwstaart en noem maar op – dat alle tamme duiven van één en dezelfde wilde soort afstamden: de rotsduif. Columba livia. En niet van acht verschillende soorten.

De manier waarop Darwin tot zijn onmisbare stelling kwam, is onthullend. Dit zijn de argumenten: (1) Zoals gezegd: alle stadsduiven weigeren om in bomen plaats te nemen. (2) Stel dat ze van acht verschillende soorten afstammen, waar zijn die soorten dan gebleven? Allemaal uitgestorven? Dat is niet waarschijnlijk. (3) Alle rassen tamme duif zijn van lieverlee over de hele wereld verspreid, maar nergens is een tamme duif terugverwilderd en de natuur ingetrokken. (4) Je kunt je toch niet voorstellen dat de halfwilde voorouders van de beschaafde mens achtmaal is staat zijn geweest om een wilde duivensoort te temmen? (5) En je kunt je toch ook niet voorstellen dat die halfwilde mensen uitgerekend soorten kozen waaruit al die abnormaliteiten zijn te selecteren die hier op de illustratie staan? (6) Regelmatig komt bij het kruisen van willekeurige tamme duiven in het nageslacht een duifje naar voren dat sprekend op een rotsduif lijkt, inclusief de typische kleur blauw. (7) Alle tamme duiven zijn onderling kruisbaar en steeds is ook het nageslacht vruchtbaar.

En dat is het dan. Unzweifelhaft. Het laatste argument, de goede onderlinge kruisbaarheid, is volgens hedendaagse opvattingen eigenlijk het enige argument dat hout snijdt (maar dat zag Darwin zelf niet zo), met de rest zou een strafpleiter geen moeite hebben als hij het in een requisitoir tegenkwam. Het is een aardig tijdverdrijf om Darwins argumenten te weerleggen. Wat hij niet wist of weten kon, is hoe lang geleden de mensheid aan het domesticeren van wilde duiven is begonnen en hoe stom die halfwilde voorouders van ons eigenlijk waren. En waarom waren niet al die weggeredeneerde voorouders van de tamme duif blauw van kleur? Enzovoort.

Maar zeker zo leuk is het om juist argumenten te bedenken die Darwins verwerping van de multi-species afstamming verder steun geven. Brehm had nog ontdekt dat je wilde rotsduiven inderdaad heel makkelijk kon temmen en dat ze dan gedrag vertoonden dat leek op dat van stadsduiven, zij het zonder een laf vertoon van onderdanigheid. Ook gedrag heeft erfelijke componenten, dat is hier vooral van belang.

De Amsterdammer die het zootje ongeregeld dat zich stadsduif noemt van tijd tot tijd eens aanziet, valt op dat zij nooit mengen met houtduiven, die toch ook wel op gestrooid voer afkomen. Kennelijk beschouwen de stadsduiven zich ook zelf allemaal als onderling verwant, hoe verschillend ze er ook uitzien. En zij hebben een kennersblik.

Is er meer? Brehm noteert dat de echte rotsduif niet bang is om bij het drinken van water een eindje het water in te lopen en als het geheugen niet bedriegt is ook de stadsduif daar niet benauwd voor. Maar misschien doen andere duiven het ook.

Brehm wist ook nog dat vrouwtjes rotsduiven altijd van drie uur ’s middags tot tien uur ’s ochtends broeden en de mannetjes alleen van tien tot drie en je zou dus eens kunnen nagaan of dat in het stadsduivennest net zo gaat.

Tenslotte was het Plinius de Oudere kort na Christus al opgevallen dat ‘duiven’ – hij bedoelde ongetwijfeld stadsduiven – zich weliswaar kenmerken door hun paringsdrift, maar óók door hun kuisheid. Overspel onder stadsduiven komt niet voor, het eenmaal gesloten duivenhuwelijk wordt nooit ontbonden. Ook Darwin twijfelde er niet aan. Zouden ook onder de wilde rotsduiven geilheid en kuisheid hand in hand gaan? Het roept om nader onderzoek.