'Wie je bent, staat in je fondslijst met auteurs'

Onder leiding van uitgever Robbert Ammerlaan werd De Bezige Bij leider van de Nederlandse boekenwereld. Volgende week geeft hij een jubileumfeest. Daarna werkt hij zijn opvolger in.

Arjen Fortuin

Van een vervallen uitgeefhuis ontwikkelde De Bezige Bij zich in tien jaar tot de onbetwiste leider van de Nederlandse boekenwereld. Verantwoordelijk voor de metamorfose is uitgever Robbert Ammerlaan (65), die dit jaar even oud wordt als het bedrijf dat hij al tien jaar leidt en dat een jaaromzet van ruim 23 miljoen euro heeft. Volgens zijn critici bereikte hij dat vooral door veel geld uit te geven aan hoge voorschotten voor Nederlandse auteurs en vertaalrechten en door auteurs bij andere uitgeverijen weg te lokken. Zelf zegt hij, aan de vooravond van het jubileumfeest, eerst naar de boeken te kijken.

‘Jij moet De Bezige Bij redden’, zei Pieter de Jong, directeur van de Weekbladpers, elf jaar geleden tegen u. Maar het duurde nog een jaar voordat u ja zei.

„Met een aantal auteurs bij mijn werkgever Ambo-Anthos had ik een vriendschapsrelatie ontwikkeld, zoals met John Irving. Ooit, bij Unieboek, ben ik een jaar de woordvoerder Dries van Agt in Brabant geweest. Het afscheid van de schrijvers is mij toen niet in de kouwe kleren gaan zitten. Dat wilde ik niet nog een keer meemaken. Toen ik duidelijke aanwijzingen kreeg dat die auteurs zich niet van mij zouden laten scheiden, heb ik de stap gezet.”

Ergo: er moest bij De Bezige Bij genoeg geld voor die mensen zijn?

„Nee, het ging alleen over vriendschap. Ik heb bij mijn aantreden ook niet om carte blanche gevraagd. Wel heb ik gezegd dat ik eigenlijk niet geïnteresseerd ben in de zakelijke kant van de uitgeverij, hoe belangrijk die ook is. Ik wil geen manager zijn, ik wil het fonds bepalen. Pieter de Jong zei toen: ‘Jij moet het doen zoals je het wil doen’.”

Dat impliceert dat u financieel de ruimte kreeg.

„Dat zat in de hele aanstelling besloten. Ik maak de begroting, ik ben als enige verantwoordelijk en ik heb volledige vrijheid van handelen. Gelukkig is het vanaf het begin goed gegaan. We hebben kunnen doen wat we wilden doen, we hebben boeken uitgegeven die veel geld hebben opgeleverd, maar ook boeken die veel hebben gekost.”

Had u een plan bij uw aantreden?

„Zeker, ik wilde veel actiever omgaan met de oeuvres van grote auteurs als Mulisch, Claus en Hermans. En ik wist dat die grote generatie moest worden opgevolgd. Er was jong talent nodig. Daarbij ben ik geholpen door de komst van een groot aantal auteurs. Dat heeft me aangenaam verrast, al heeft het natuurlijk ook te maken met het verval van uitgeverij Meulenhoff [waar onder anderen Charlotte Mutsaers en Jan Siebelink vandaan kwamen, red].

Waarom komen al die schrijvers naar De Bezige Bij?

„Ik vlei me met de gedachte dat we dat zelf hebben afgedwongen, we kregen een goede reputatie. Ik ben omringd door hele goede mensen, onze promotieafdeling is de beste in het vak. Maar uiteindelijk gaat het om mensen, om gesprekken. Met Erwin Mortier had ik bijvoorbeeld een onvergetelijk gesprek. Daarin bleek hoe belangrijk het voor hem was dat wij het werk van W.G. Sebald uitgeven. Wie je bent, staat uiteindelijk in de fondslijst met de auteurs.”

U kunt een diepe indruk op schrijvers maken. Jan Siebelink stapte hier bijkans met tranen in de ogen naar buiten.

„Ik ga zo’n gesprek in met maar één criterium: ik ben wie ik ben en ik geef wat ik te geven heb. Uiteindelijk moet je zelf gevoel voor een auteur en het werk hebben. Ik kan geen gesprek aangaan met een auteur van wiens werk ik niet houd en hem toch overtuigen naar de Bij te gaan.”

U heeft dan wel een erg brede smaak.

„Je moet daar niet te karig in zijn. Zo geven wij hier een van de beste thrillerschrijvers uit, Karin Slaughter. Ik vind dat zij in haar genre heel goed is, ik herken in haar een enorm soort passie en drive, maar mijn boekenkast staat niet vol thrillers. Ik kan zien hoe goed zij is, en daar bewondering voor hebben.”

U bewondert niet vooral het geld dat u met die boeken kunt verdienen?

„Daar begint het niet mee. Je kunt niet iets uitgeven, en denken: ‘Ik heb er niks mee, maar misschien wordt het een bestseller’.”

Loopt het ook weleens mis? Dat een schrijver na een gesprek besluit toch niet te komen?

„Dat gebeurt nogal eens, maar meestal weten schrijvers zelf heel goed of ze bij ons passen.”

Waar breekt het dan op?

„Altijd op het werk.”

De Bezige Bij geeft veel meer verschillende soorten boeken uit dan tien jaar geleden.

„Toen ik kwam, dreef de zaak op Mulisch, Hermans, Claus, Campert en Wolkers. Nu is hun aandeel veel kleiner. Een aantal is overleden en de meesten, met uitzondering van Remco, zijn minder productief geworden. Er was een nieuw fundament nodig, er moesten nieuwe palen worden geslagen.”

Het zoeken naar een nieuw fundament heeft u bij uw collega’s gevreesd gemaakt om de hoge bedragen die u voor vertaalrechten uittrekt.

„Als ik een boek echt wil hebben, ga ik ver. Snelheid is ook belangrijk. Soms kun je door in het begin veel te bieden voorkomen dat een boek bij anderen belandt. Je moet risico’s durven nemen. Als je op de internationale boekenmarkt actief bent, moet je soms afschrijven. En hoewel we grote winsten maken, is dat een niet onaanzienlijk potje.”

Noemt u eens een grote afschrijving.

Ammerlaan denkt na. „Een echte zeperd, bedoel je? Die zijn er geweest, maar er schiet me nu niets te binnen.” En een dag later, per email: „The Emperor of Ocean Park van Stephen Carter – een thrillerachtige literaire roman die zich afspeelt in het milieu van zwarte upperclass families aan de Amerikaanse oostkust. In Amerika een bestseller; hier zijn maar 10.000 exemplaren verkocht. Heel respectabel, maar niet genoeg afgemeten aan het betaalde voorschot.”

Drijft De Bezige Bij nu vooral op buitenlandse auteurs?

„Het wisselt per jaar. Toen Donna Tartts De kleine vriend verscheen wel, en de afgelopen jaren hebben we de boeken van Khaled Hosseini uitgegeven. Maar er was ook het jaar dat Knielen op een bed violen verscheen, tegelijkertijd met Tommy Wieringa’s Joe Speedboot. Als je het gemiddelde neemt, is het ongeveer fifty-fifty.

„Van Reve, Claus en Mulisch hebben we alles in druk, maar van een auteur als Louis Ferron niet. Het is teleurstellend dat je dat niet succesvol de boekhandel in krijgt – en dus niet bij het publiek. Dat heeft te maken met wat je met een groot woord de vluchtigheid van de cultuur zou kunnen noemen. Dat zijn de schaduwkanten van de consumptiemaatschappij.”

Daar spelen jullie zelf ook een rol in. De boeken die Ferron uit de winkel houden, maken jullie óók.

„In zeker opzicht is dat waar, al zijn wij heel streng wat betreft het aantal titels. Meer dan 135 per jaar maken we er niet. Er zijn kleinere uitgeverijen die met meer boeken komen. Iedereen vindt dat er minder boeken moeten komen, maar niemand begint.”

Merken de uitgeverijen iets van de crisis?

„Het sprookje is dat die aan de boeken voorbij gaat, maar ik denk dat niet. Mensen die twee of drie boeken per week kopen, zullen misschien overstappen naar één a twee. De resultaten zijn heel goed, maar de toptitels van de bestsellerlijst verkopen volgens mij minder dan een jaar geleden. Ik denk dat het geheel zo’n tien à vijftien procent naar beneden gaat.”

Er is lang gezocht naar uw opvolger.

„Niet ten onrechte, want als we in de uitgeverswereld een geschikte kandidaat hadden gevonden, was het eerder gebeurd. Wat we willen is een echte uitgever, die óók in staat is het zakelijke succes voort te zetten. We hebben nu Hans Nijenhuis [chef van nrc.next en adjunct-hoofdredacteur van deze krant, red] aangesteld als operationeel directeur. Ik blijf als directeur-uitgever nog een aantal jaar eindverantwoordelijk. Voor Hans is het vak nieuw, hij kan de komende jaren het vertrouwen winnen van de mensen die hij nodig heeft: auteurs in de eerste plaats, maar ook buitenlandse agenten en uitgevers. We gaan zien hoe zich dat ontwikkelt.”

Journalist Onno Blom was een aantal jaar adjunct-uitgever, maar is weer vertrokken. Heeft u moeite de zaken uit handen te geven?

„Dat is stellig zo. Ik zou vorig jaar misschien zijn vertrokken als er een opvolger in zicht was. Maar ik kreeg van veel auteurs het klemmende verzoek om niet te stoppen. Als ik dat wel gedaan had, waren ze daar zeker tegen in het geweer gekomen.”