We kunnen niet anders

De Tweede Kamer laat volgende week weten of een onderwijsvernieuwing op het mbo wel verstandig is. Maar de betrokkenen weten het al: het gaat door.

Het gebouw is prachtig. Dit is een school van de toekomst. Er is een golvende gevel met verticale stroken glas in geel, wit en rood. Er zijn kapsalons, keukens, ateliers, garagebedrijven, kantoortuinen, callcenters. De imposante hal kan worden gebruikt als auditorium met rondom transparante praktijkruimtes. Er is ook een grand café en een restaurant.

Dit is het complex van het Regionaal Opleidingscentrum (ROC) Da Vinci in Dordrecht. Het werd 9 november 2007 geopend door prinses Máxima. Het is een school voor middelbaar beroepsonderwijs (mbo). Leerlingen worden er opgeleid tot onder meer kapper, metaalbewerker, meubelmaker, cv-installateur, schilder, makelaar, bakker, doktersassistent, ober, chauffeur, ICT’er. Ongeveer 10.000 leerlingen zitten hier op school.

Da Vinci is het onderwijs aan het vernieuwen, net als alle andere mbo-instellingen in Nederland. In totaal telde het mbo in Nederland in schooljaar 2007-2008 351.400 leerlingen. Ze zijn bezig het zogeheten competentiegericht onderwijs in te voeren. Het oude mbo-onderwijs was niet meer genoeg op de praktijk gericht, zo vonden en vinden vrijwel alle betrokkenen. Daarom moet het onderwijsprogramma op de schop. Het mbo moet niet meer louter vakkennis bijbrengen, over spelling, of het permanenten van een kapsel, maar ook vaardigheden – competenties genoemd – als samenwerken, presenteren, analyseren en integriteit. Daardoor is een student straks beter voorbereid op het werken in een bedrijf.

Het gebouw van Da Vinci is klaar voor de vernieuwing. Maar zijn de gebruikers dat ook? Nou nee, zeggen ze. Net als andere ROC’s.

Dat is lastig. Want de Tweede Kamer is in 2005 al op hoofdlijnen akkoord gegaan met deze onderwijsvernieuwing. Er werd afgesproken dat alle mbo-scholen het nieuwe onderwijs verplicht zouden invoeren.

Maar sindsdien is er veel gebeurd.

Scholieren uit het mbo gingen eind 2006 massaal de straat op om tegen het experimenten met het nieuwe onderwijs te protesteren. Ze klaagden dat ze te weinig leerden. Staatssecretaris Van Bijsterveldt (Onderwijs, CDA) stelde de verplichte invoering van het nieuwe onderwijs toen twee jaar uit, tot 2010.

En toen kwam de commissie-Dijsselbloem.

Die rapporteerde, nu een jaar geleden, vernietigend over twintig jaar vernieuwingen in het voortgezet onderwijs. De commissie maakte een lijstje met aanbevelingen waaraan onderwijsvernieuwingen moeten voldoen. De Tweede Kamer stemde massaal in met deze aanbevelingen. Daarop besloot het parlement het competentiegericht onderwijs opnieuw kritisch tegen het licht te houden, met de criteria van Dijsselbloem in de hand.

Trouwens, competentiegericht onderwijs? Doet de ambitie daarvan niet denken aan ‘het nieuwe leren’? Ja, beide methoden beogen leerlingen zelfstandig te laten werken. En juist over dat zelfstandig leren van scholieren is de commissie Dijsselbloem heel kritisch geweest.

Andere overeenkomst is dat ook over het competentiegericht onderwijs een stroom van klachten van docenten en studenten is gekomen, terwijl ‘Den Haag’ beweert dat er ‘draagvlak’ voor is.

Een verschil is er ook. ‘Het nieuwe leren’ is nooit verplicht gesteld. Het competentiegericht onderwijs is dat wel.

De onderwijsvernieuwingen waarover Dijsselbloem kritisch was speelden zich af in het voortgezet onderwijs, vmbo, havo en vwo. Het competentiegericht onderwijs wordt op een ander schooltype ingevoerd, het mbo.

De uitkomsten van het onderzoek van de Tweede Kamer naar de invoering van het competentiegericht onderwijs worden aanstaande woensdag bekendgemaakt. Maar praat met betrokkenen in ‘het mbo veld’ en de conclusie is nu al duidelijk: het competentiegericht onderwijs is niet ‘Dijsselbloem-proof’.

Aan verschillende criteria voldoet het niet. Zo is de noodzaak van overheidsinterventie niet aangetoond, zijn er geen alternatieven overwogen, is er niet voldoende tijd en geld uitgetrokken om het in te voeren. Ook zijn de verwachte positieve effecten van de methode niet wetenschappelijk aangetoond.

Dijssebloem-proof of niet: vooral schoolleiders en sectorbestuurders vinden dat het competentiegericht onderwijs niet meer kan worden teruggedraaid. „Wil je het welvaartspeil behouden in Nederland, dan zullen werknemers slimmer moeten gaan werken. Daarom is dit nieuwe onderwijs nodig”, zegt de baas van het ROC Da Vinci, Max Hoefeijzers. Hij geeft toe: „Nee, het is niet Dijsselbloem-proof.”

Een van de belangrijkste aanbevelingen van de commissie-Dijsselbloem is, dat scholen de vrijheid moeten krijgen zelf te bepalen hoe ze onderwijs geven. De overheid kan slechts voorschrijven wat kinderen moeten leren.

Daar zit een probleem met het door de overheid verplichte competentiegericht onderwijs. Dat schrijft immers dwingend voor dat leerlingen meer in groepjes moeten werken, en zelfstandiger aan praktijkopdrachten.

Jan van Zijl, voorzitter van de MBO Raad erkent onmiddellijk dat het competentiegericht onderwijs ingrijpt in de didactiek. „Maar het is nodig, volgens scholen en bedrijven zelfs onmisbaar. In de vorige eeuw leerde je timmeren, en dan was je timmerman. Nu zijn er veranderingen in design, materiaal. Je kunt kennis hebben, maar dan ben je niet klaar voor de fluïde arbeidsmarkt van tegenwoordig.”

Ondanks de alom onderschreven bevindingen van de commissie-Dijsselbloem, en de al evenzeer in brede kring getrokken conclusie dat deze onderwijsvernieuwing niet Dijsselbloem-proof is, vindt toch iedereen dat zij moet worden ingevoerd. Nerveus over de komende conclusies van het onderzoek van de Tweede Kamer is niemand. Stopzetting van de vernieuwing lijkt onwaarschijnlijk.

Het rapport van Dijsselbloem lijkt, een jaar nadat het verscheen, alweer over de schutting gekieperd.

Hoe is dat mogelijk?

In wezen is het onomkeerbare besluit om het in te voeren al genomen, bevestigt Tweede Kamerlid Staf Depla (PvdA). „Negentig procent van de instellingen is er al mee bezig. Dat is niet Dijsselbloem-proof, nee. Maar dat betekent niet dat we geen lessen trekken uit het rapport.”

Dat de invoering gewoon doorgaat, ligt aan de macht van de MBO Raad, de koepel van mbo-scholen, zegt Harm Beertema. Hij is bestuurslid van actievereniging Beter Onderwijs Nederland (BON). Volgens Beertema speelt de MBO Raad „powerplay” en is er „te weinig tegengas” van ouders, leerlingen, docenten en de politiek. „Ook nu weer zullen ze net zo lang schikken en plooien totdat het competentiegericht onderwijs doorgaat voor Dijsselbloem-proof. De MBO Raad heeft de Tweede Kamer in zijn zak.”

Voorzitter Jan van Zijl van de MBO Raad noemt het „lariekoek” wat Beertema zegt. „De MBO Raad heeft geen formele macht om dingen door te drukken. Wij adviseren, de Kamer beslist. Het is mooi dat hij ons een grote macht toedicht, maar iedereen kan proberen het parlement te beïnvloeden. Ook Beter Onderwijs Nederland.” Van Zijl benadrukt dat de inzichten van de commissie-Dijsselbloem zijn ontstaan toen deze vernieuwing al bezig was. „Als we nú zouden beginnen, zouden we er anders mee omgaan.”

Intussen zet het competentiegericht onderwijs het hele mbo op zijn kop. Het is de grootste onderwijsvernieuwing sinds de invoering van de Mammoetwet in 1968. Er wordt al meer dan tien jaar aan gewerkt.

Is het nieuwe onderwijs misschien, of in elk geval op papier, beter dan het oude? „Ja”, zegt docentenbegeleider Anneloes Vogelaar van het ROC Da Vinci. En dat is wat eigenlijk iedereen zegt.

De JOB, belangenbehartiger van de mbo-leerlingen bijvoorbeeld, vindt het ook, bij monde van voorzitter Jouke de Jong. Hij studeert aan het ROC Da Vinci. „Ik ben zelf een proefkonijn.” De Jong vindt het goed dat „de leerling centraal staat”. „Het schort alleen aan de uitvoering. Er is niet voldoende geld voor de scholing van docenten. Als zij het niet in de vingers hebben, hoe moeten wij dan goed onderwijs krijgen?”

Vroeger waren de eisen waaraan mbo leerlingen moesten voldoen gespreid over vier jaar. Die eisen waren erg gedetailleerd en werden los getoetst. Het waren allemaal kleine stukjes informatie, zegt Vogelaar. Als één elementje was getoetst, kwam het later in de opleiding niet meer aan de orde. Tijdens de stages vonden leerlingen het heel moeilijk om alle kleine stukjes tegelijk toe te passen in de praktijk. „Bij de werkgever stonden ze vaak met hun mond vol tanden”, zegt Vogelaar.

In het nieuwe onderwijs worden al die losse eisen geïntegreerd in een veel uitgebreidere ‘meesterproef’ aan het einde van de opleiding. Het onderwijs wordt ook meer op de praktijk toegesneden. Een docent wiskunde gaf vroeger drie uur per week ‘losse lessen’. Nu moet hij een korte cursus wiskunde ontwerpen voor een specifiek project, zoals in een echte werksituatie het geval is.

Maar het probleem is, zegt Vogelaar, dat nu nog niet precies bekend is hoe die grote, ‘integrale’ finale eruit ziet. „We weten nog niet precies waar we naartoe werken. Maar we moeten al wel de eerste jaren van de opleiding vormgeven. We zijn dus eigenlijk omgekeerd bezig.”

De commissie-Dijsselbloem keerde zich in haar rapport fel tegen een te grote nadruk op zelfstandig werken van leerlingen. Ze zei dat begeleiding en structuur minimale vereisten zijn voor alle leerlingen, en zeker die op het mbo. Voorstanders van het nieuwe onderwijs, zoals de MBO Raad en de kenniscentra voor beroepsonderwijs en bedrijfsleven, zeggen dat de scholen sinds ‘Dijsselbloem’ de structuur en de begeleiding hebben verbeterd. „De balans tussen zelfstandig werken en begeleiding van docenten wordt langzaam hersteld”, zegt ook Tweede Kamerlid Staf Depla (PvdA). Maar dat is niet op alle instellingen gebeurd, geeft hij toe. „Als je pech hebt, zit je op een opleiding waar ze nog steeds te weinig aan vakkennis doen.”

De SP en actievereniging BON noemen het „onbegrijpelijk” dat de invoering van het competentiegericht onderwijs gewoon doorgaat zonder dat er minimale eisen worden gesteld aan lessen en begeleiding. SP-Kamerlid Jasper van Dijk noemt het „onverantwoord om het competentiegericht onderwijs per 2010 op alle instellingen in te voeren”.

Student internationale handel Marthijn van Lindenberg van ROC Da Vinci herkent dat. Voor hem werkt het zelfstandiger werken goed, zegt hij. Hij moet bijvoorbeeld zelf een ondernemingsplan schrijven, telefoneren, offertes maken, post beantwoorden en sterkte-zwakteanalyses maken, in het ‘simulatiekantoor’. Dat is net een echt bedrijf, zegt hij. Met afdelingen als receptie, inkoop, boekhouding, magazijn. De leraar is directeur in dat kantoor. Bij hem kun je terecht met vragen.

Maar zelfstandigheid werkt niet voor alle leerlingen, zegt de student. Er zijn ook leerlingen die meer structuur nodig hebben. Die zijn snel afgeleid in de grote glazen ruimtes. „Sommige studenten doen oordopjes in.”

Ook voormalig minister Loek Hermans (Onderwijs, VVD), die de ontwikkeling naar het competentiegericht onderwijs in 1999 inzette, toont zich bezorgd over de kennisoverdracht in het nieuwe onderwijs. Hij is nu voorzitter van het midden- en kleinbedrijf (MKB-Nederland), en weer betrokken bij het nieuwe onderwijs in verband met de stagebedrijven waar de studenten naartoe gaan. „Kennis sneeuwt wel heel snel onder. Leerlingen krijgen al gauw een boek, waarna de docent zegt: als je een vraag hebt, hoor ik het wel. Scholieren vinden ook dat ze minder leren. Dat is een lacune die echt moet worden opgevuld.”

Hermans zegt dat het oorspronkelijke plan in 1999 heel anders was. „Destijds was het niet onze bedoeling dat het competentiegericht onderwijs voor alle kinderen verplicht zou worden. Het was meer bedoeld als een richting waarin scholen zich konden ontwikkelen, niet als blauwdruk voor het hele onderwijs.”

Anderzijds is het niet nodig, zegt Hermans, dat het competentiegericht onderwijs voldoet aan alle criteria van Dijsselbloem. Die zijn volgens hem te rigide. „Zo werkt het niet in de praktijk.”

Een groot probleem bij onderwijsvernieuwing is altijd dat er te weinig tijd en geld is om het in te voeren, zo signaleerde de commissie Dijsselbloem. Dat is ook weer het probleem bij het competentiegericht onderwijs, zo zeggen schoolleiders. Studenten moeten meer begeleid en vaker beoordeeld worden dan voorheen omdat ze zelfstandiger werken. Docenten moeten extra overleggen omdat veel projecten vakoverstijgend zijn. „Er moet geld bij”, zegt Max Hoefeijzers, collegevoorzitter van het ROC Da Vinci. „Het is nu kruimelwerk. Het komende jaar moeten we zelfs weer inleveren. Ondertussen blijft de overheid wel eisen stellen aan scholen.”

Collegevoorzitter Marc Veldhoven van ROC de Leijgraaf heeft het voorgerekend aan staatssecretaris Van Bijsterveldt. „Er is jaarlijks 200 miljoen euro nodig. Er is in totaal 50 miljoen beschikbaar. Dat is dus niet Dijsselbloem-proof.”

De politiek heeft vooraf geen serieuze begroting gemaakt voor de invoering, zegt bestuurslid Frida Hengeveld van ROC Eindhoven. Net zoals ze dat overigens naliet bij de eerdere onderwijsvernieuwingen. „Vooraf had iemand aan de Rekenkamer moeten vragen, reken eens voor wat dit allemaal betekent, past dit in de begroting? Ik vind dat dat alsnog moet gebeuren.”

Een ander Dijsselbloem-criterium waaraan het competentiegericht onderwijs niet voldoet, zeggen ondervraagden, is dat een vernieuwing „vooraf wetenschappelijk onderbouwd moet zijn”.

Volgens voormalig minister Loek Hermans was dat het geval met het competentiegericht onderwijs. Hij weet alleen niet meer welk wetenschappelijk bewijs dat was. „Dat heb ik inmiddels van mijn harde schijf gewist. Maar ik kan me niet voorstellen dat we het zomaar hebben ingevoerd.”

Staatssecretaris Van Bijsterveldt schreef vorig jaar juni in een brief aan de Tweede Kamer dat er aan de invoering „geen wetenschappelijk onderzoek ten grondslag lag”. Wel – ook een belangrijk criterium van de commissie-Dijsselbloem – werd de onderwijsvernieuwing „breed gedragen (..) door alle betrokken partijen”.

Op papier is dat draagvlak er inderdaad. Maar in de praktijk ligt het genuanceerder. Leerlingenvereniging JOB peilde eind vorig jaar onder 84.000 mbo-leerlingen de tevredenheid over het onderwijs. Leerlingen die competentiegericht onderwijs volgen, oordelen negatiever over de kwaliteit van de docenten en het gebruik van het lesmateriaal. Ook zijn ze iets minder tevreden over wat ze leren op school dan leerlingen die nog het ‘oude’ onderwijs volgen. Wel beoordelen ze de sfeer op school positiever en zeggen ze vaker actief te willen meedenken over het beleid op school.

Docenten zijn kritischer, blijkt uit een onderzoek van de Algemene Onderwijsbond.

Zes op de tien docenten in het mbo steunen de uitgangspunten van het competentiegericht onderwijs. Maar zeven op de tien zijn ontevreden over de invoering. Ze klagen dat de competenties moeilijk te beoordelen zijn, en dat ze te weinig worden voorbereid op het nieuwe onderwijs. 41 procent vindt dat de kwaliteit van het onderwijs eronder lijdt.

En het bedrijfsleven? Er wordt altijd gezegd dat het bedrijfsleven het competentiegericht onderwijs wil. Is dat zo?

Formeel hebben vertegenwoordigers uit het bedrijfsleven gesproken met vertegenwoordigers uit het onderwijs over de nieuwe exameneisen waaraan leerlingen moeten voldoen. Jos Kleiboer, die er namens Bovag over heeft onderhandeld, is tevreden. „Wij zijn heel dik betrokken bij de invulling van het motorvoertuigenonderwijs, dus wat ons betreft is er draagvlak.”

André van der Leest, beleidssecretaris onderwijs van de Koninklijke Metaalunie, is minder optimistisch. Weliswaar zijn de kwalificatiedossiers, waarin staat wat leerlingen moeten kennen en kunnen, goed. Maar in het kleinbedrijf is men er nog helemaal niet mee bezig.”

Wel invoeren, niet invoeren – wat moet er nu gebeuren?

Harm Beertema van BON vindt dat „de overheid de regie moet terugnemen”, zoals ook Dijsselbloem betoogde. „Ze moeten doorbijten.” De onderwijswoordvoerders in de Kamer houden zich op de vlakte. Ze willen niet vooruitlopen op de bevindingen van hun eigen onderzoek. Maar Staf Depla van de PvdA wil wel een tipje van de sluier oplichten.

„Stel dat het competentiegericht onderwijs inderdaad niet Dijsselbloem-proof is. Dan hoeven we het toch niet af te blazen? We kunnen het gaandeweg Dijsselbloem-proof maken. Ook kunnen we de verplichte invoeringsdatum van 2010 uitstellen. ”

Voorzitter Jan van Zijl van de MBO Raad wil niet langer wachten. „Het is geen ramp dat sommige instellingen een of twee jaar later starten.” En, zegt ook hij, wat is erop tegen om het achteraf Dijsselbloem-proof te maken?

Maar een onderwijsvernieuwing achteraf Dijsselbloem-proof maken tart toch alle wetten van Dijsselbloem? De commissie vond toch dat vooraf gezorgd moest worden dat alles op orde is bij onderwijsvernieuwing?

„Ik snap het wel als mensen zeggen dat er weer niet wordt geluisterd naar Dijsselbloem”, zegt Staf Depla. „ Maar afblazen is ook niet Dijsselbloem-proof, dan haal je weer alles overhoop.”