'We gaan het moeilijk krijgen'

Energie raakt op. Dat zal leiden tot conflicten. Een dwarse denker over de dreigende crisis. „We zijn zo ontzettend verwend geweest.”

Ze is geboren en getogen in Terneuzen. Maar een Zeeuw wil ze zich niet noemen. „Ik ben Zeeuws-Vlaming”, zegt Coby van der Linde tegendraads. Coby gaat altijd tegen de stroom in. Haar vader, kanaalloods, zei ooit: „Jij drijft bij vloed niet naar Antwerpen, zoals het hoort, maar naar Vlissingen.”

Die dwarsheid heeft ze ook in haar werk. Van der Linde geldt als een autoriteit op energiegebied, in Nederland en daarbuiten. Als heel Europa over Rusland heen valt, omdat het de gaskraan naar Oekraïne weer eens dichtdraait, zegt ze: „Bekijk het ook eens van de kant van de Russen.” En als Nederland vindt dat energiebedrijven als Nuon en Essent gesplitst moeten worden, zegt zij juist: „Niet doen.” Op de mok waaruit ze haar cappuccino drinkt staat: All is not what it seems.

Van der Linde leidt de energietak van instituut Clingendael, en is hoogleraar geopolitiek en energiemanagement in Groningen. Al jaren waarschuwt ze voor ernstige olie- en gastekorten in de wereld, voor de hoge prijzen die daarvan het gevolg zijn, en de ontwrichtende werking die dat heeft op de wereldeconomie.

Haar drang om alles over energie te willen weten dateert uit haar tienertijd. Het kwam door „dat stomme” ongeluk. Dat veranderde alles. Daarvoor was ze zo’n sportieve meid. Ze deed aan korfballen, voetballen en aan wedstrijdzwemmen, ook in open water. Ze herinnert zich nog hoe ze door het Kanaal van Walcheren gleed en bij de centrale van het provinciale elektriciteitsbedrijf even iets harder ging, omdat de vissen daar door het warme koelwater zo groot waren. Maar toen kwam die kermis, op haar dertiende. Ze ging in de botsautootjes. Ze knalde tegen een autootje voor haar, en meteen daarna kwam die klap van achteren. Twee tussenwervels werden verbrijzeld. Ze overleefde complicaties na de operaties maar net. Een jaar was ze aan het bed gekluisterd. „Ik mocht niet eens een flesje water tillen.” Het was in 1972/73, het jaar voorafgaand aan de Jom Kipoeroorlog. („Oktoberoorlog”, verbetert ze fel. „Dat is neutraler, de Egyptenaren spreken over de Ramadanoorlog.”) Er ontstond een oliecrisis. Benzine ging op de bon en op zondag mochten geen auto’s meer rijden. Coby van der Linde had zeeën van tijd en las er alles over. „Premier Den Uyl zei tijdens de oliecrisis: ‘Het wordt nooit meer zoals het is geweest.’ Ik vraag me wel eens af of onze kinderen de huidige crisis op eenzelfde manier beleven.”

Het ongeluk veranderde meer. Gewone puberdingen als late feestjes en uitgaan met jongens waren er voor haar niet echt meer bij. Daarvoor, in het ziekenhuis in Utrecht, had ze op de afdeling neurochirurgie andere slachtoffers van ongelukken gezien – „niet de lichtste gevallen”. Het had invloed op haar levenshouding: „Het was niet meer tralala, het komt allemaal vanzelf goed.” Ze stortte zich op haar schoolwerk en las de hele bibliotheek van Terneuzen..

Als ‘Zeeuws meisje’ ging ze studeren in Amsterdam, politicologie. Ze werd gegrepen door het keuzevak ‘geschiedenis van het Midden-Oosten’. Van der Linde studeerde in een tijd dat grote delen van de Gemeentelijke Universiteit in marxistisch vaarwater terecht waren gekomen. „Ik las Lenin en ook Marx. En ik deed mee aan felle debatten over kolonialisme en multinationals. Maar ik ben nooit ergens lid van geworden. Ik had nog steeds niet het gevoel dat ik voldoende informatie had om een dergelijke keuze te maken. Dat werd me toen wel verweten, dat vonden ze laf.”

We maken nu een soort herwaardering van Marx mee: fundamentele kritiek op het kapitalistische systeem en een golf van nationalisaties. Kunt u nu wel een keuze maken?

„Ik weet niet of het een herwaardering van Marx is. Ik ben mijn hele leven bezig geweest met de verhouding tussen overheid en markt. Ik stuit daarbij op falen van de markt én van de staat. Maar we hebben natuurlijk wel een periode van vijftien jaar achter de rug van liberalisering en privatisering, een omhelzing van de markt. Ik heb met verwondering gekeken naar het geloof in Enron [het Amerikaanse energiebedrijf dat fraudeerde en failliet ging, red.] en de dotcoms. Ik heb mijn geld gewoon op een spaarrekening gehouden. Markt is niet meer dan een coördinatiemechanisme, geen blauwdruk voor een samenleving. IJsland heeft ons bovendien geleerd dat er grenzen zijn aan vitale internationale bedrijven in de financiële sector of energie: die grens is in beginsel wat de belastingbetaler aan crisiskapitaal kan opbrengen. Crisisbeleid is nationaal.”

Als gevolg van de liberalisering staan nu wel stroombedrijven als Essent en Nuon te koop. Moeten we dat tegenhouden?

„Nee. Indertijd was ik niet voor het systeem dat nu is ingevoerd: hou de infrastructuur in overheidshanden en laat de stroomleveranciers vrij. Daarmee gingen we een stap verder dan de door Brussel voorgeschreven liberalisering. Ik was voorstander van een model dat leek op de manier waarop we in Nederland onze gaswinning hebben georganiseerd, het zogeheten gasgebouw. Daar zijn overheid en bedrijfsleven aandeelhouders in hetzelfde bedrijf. Dat heeft ons in het verleden heel veel opgeleverd. Maar nu gekozen is voor een weg, waarbij overheid en bedrijfsleven gescheiden opereren, zie ik de bezwaren niet. Dat Essent aansluiting zoekt tot het Duitse RWE is begrijpelijk. Dat is een aanpalende markt. Je moet ervoor zorgen dat in Nederland voldoende spelers aanwezig zijn, je moet voldoende aantrekkelijk voor hen zijn. Maar het zal in Europa op zijn best een concurrerend oligopolie worden waarvoor je een fors concurrentiebeleid nodig zult hebben. En je moet scherpe eisen stellen aan partijen op de markt. Een energiemarkt is onmogelijk zonder een zwaar stempel van de overheid.”

Vorig jaar voorspelde u een wereldwijd energietekort vanaf het jaar 2010. Blijft die voorspelling staan?

„Door de financiële crisis is de vraag naar olie ingezakt. Maar zodra de wereldeconomie aantrekt, zal de vraag weer stijgen. Tenzij de vraag in bijvoorbeeld Amerika definitief verdwenen is omdat alle SUV’s zijn ingeruild voor Fiatjes 500. Maar dat ligt niet erg voor de hand. Het probleem is zeker niet opgelost, het verschuift alleen maar. De tekorten ontstaan nu niet vanaf 2010, maar iets later, vanaf 2012, of 2013.”

U waarschuwt al jaren voor energietekorten. Voelt u zich een roepende in de woestijn?

„Inmiddels niet meer. Maar in de jaren negentig luisterde niemand. Er leek toen geen vuiltje aan de lucht, want de organisatie voor olie-exporterende landen, Opec, had een grote buffercapaciteit opgebouwd. Er was altijd genoeg. Maar door die grote voorraad lag de olieprijs zo laag, dat oliemaatschappijen weinig investeerden in het vinden en ontginnen van nieuwe olie- en gasvelden. Dat effect gaan we nu merken. De komende tien jaar komen er te weinig nieuwe velden in productie, terwijl de vraag naar energie door opkomende economieën als China en India sterk stijgt. Dat is echt zorgwekkend. Als er niet genoeg is voor iedereen, bestaat het gevaar dat sommigen hun deel gaan opeisen.”

In 2007 schreef Coby van der Linde een essay onder de titel Energie: de eeuw van mijn moeder. Daarin liet ze haar dochter terugkijken vanuit het jaar 2050. In dat ‘geschiedsverhaal’ komt de olie-economie in 2027 volledig tot stilstand. Die crisis wordt voorafgegaan door militaire botsingen tussen grootmachten die met elkaar strijden om de toegang tot energiebronnen.

Waar vreest u militaire conflicten?

„In Afrika aan de westkust, in landen als Angola, Nigeria, Congo. Die produceren voor zowel de Verenigde Staten als voor Azië, met name China. Voor Amerika is dit gebied interessant omdat er zo weinig logistieke barrières zijn naar de VS. Je hoeft alleen een oceaan over te steken. En China zit inmiddels diep in deze landen. Het helpt mee aan de bouw van wegen, rails, huizen. En dan zit de regio ook nog eens vol fragiele staten. Het is een potentieel decor voor een internationale crisis. Voormalig president Bush heeft twee jaar geleden het Africa Command opgericht, dat met militaire hulp de belangen van Amerika in Afrika moet verdedigen.

„Een andere conflictregio is het gebied rond de Kaspische Zee. Ook daar zit te veel energie in de grond, te verdelen onder te veel volkeren die het niet met elkaar eens zijn, en allerlei verschillende religies hebben. Daar kunnen Rusland, China en Amerika clashen.

„De olierijkdom is in zulke gebieden eerder een vloek dan een zegen. Als de olieprijzen stijgen stroomt de schatkist vol, en zijn ze stinkend rijk. De ander keer loopt de schatkist in no time leeg. In het Zeeuws zeggen we: het is daar ‘zot of bot’. Hoe ga je om met zulke schommelingen? Hoe laat je de rijkdom eerlijk doorsijpelen naar je samenleving? Dat gaat vaak fout.”

Speelt Europa in die conflicten nog een rol?

„Het valt me op dat Europa in recente strategische studies niet wordt genoemd. Het regelde zijn zaken meestal via soft power. Maar die tijd lijkt voorbij. Energie is weer machtspolitiek, en Europa heeft het daar moeilijk mee. In de liberale jaren negentig ging dat nog wel, maar nu de staat terug is en ingrijpt, ligt dat veel lastiger. Wij willen alles bovendien langs een morele meetlat van goed en kwaad leggen. We wijzen meteen met ons vingertje als de VS hun energiebelangen in verband brengen met de nationale veiligheid. Ik denk dat het voortkomt uit ons eigen donkere koloniale verleden. Daar zijn we schrikachtig door geworden. We blokkeren onszelf.”

Wat zou u overheden willen adviseren?

„Dat ze meer oog hebben voor elkaars belangen. Wij klagen dat de Opec altijd zo vaag is over zijn olie-en gasreserves en zijn investeringsplannen. Wij willen namelijk graag weten hoeveel olie we kunnen verwachten in de toekomst. Maar zij willen van hun kant weten hoeveel olie ze in de toekomst aan ons kwijt kunnen. Daar zijn wij weer vaag over. Wij hebben ambitieuze plannen met duurzame energie. Beseffen we wel hoe bedreigend dat voor hen is?

„Wij zijn nu blij dat de olieprijs weer gezakt is. We lachen, haha, om de Opec, omdat die de prijs niet onder controle krijgt. Maar door die lage prijs hebben veel landen in het Midden-Oosten wel een tekort op hun begroting. Terwijl er een snel groeiende bevolking is die werk wil. Dat zien we niet. Wij willen vrede, veiligheid en energie tegen zo laag mogelijke kosten. Verder kijken we niet. We beseffen niet hoe ontzettend verwend we de laatste decennia zijn geweest. Het was nooit zo rustig als tussen 1984 en 2004. De Opec zorgde voor lage olieprijzen door een grote buffervoorraad aan te houden, onder druk van het Westen. Het in stand houden van zo’n gigantische overcapaciteit is duur. De Opec betaalde dat, Saoedi-Arabië voorop. Die buffer zorgde er ook nog eens voor dat de prijzen laag waren en de Opec-landen relatief weinig verdienden aan hun grondstof. Ze hebben een hoge prijs betaald. Nu eisen we min of meer hetzelfde. Westerse landen zitten te pushen dat Opec meer gaat produceren. Maar de Opec kent haar geschiedenis en wil niet meer voor het Westen opdraaien.

„Vorig jaar zomer zag het er eventjes goed uit. Olie-importerende en -exporterende landen besloten met elkaar om de tafel te gaan zitten, in Jeddah. Ze wilden gezamenlijk iets doen aan de, toen nog, extreem hoge olieprijzen. Het was het begin van een dialoog. Daar hoor je nu niks meer over.”

Coby van der Linde onderbreekt haar betoog: „Jullie zullen wel opschrijven dat ik zo onrustig ben, zenuwachtig misschien zelfs. Dat ik de hele tijd zit te wiebelen. Maar dat is ook nog het gevolg van dat ongeluk: ik kan niet lang stilzitten. Maar in mijn hoofd is het rustig.”

In ‘De eeuw van mijn moeder’ emigreert u naar Rusland als de crisis uitbreekt. Waarom?

„Omdat Rusland voldoende eigen gas heeft. Dus daar zit je warm. Maar ik schreef dat omdat ik mijn ware bestemming niet wilde onthullen: mijn ideale land is Noorwegen. Het heeft ook veel waterkracht en het is er prachtig om te wonen.”

Als uw voorspelling uitkomt en er ontstaat op korte termijn een groot energietekort, wat staat de consument dan te wachten?

„Stijgende prijzen aan de pomp. Een groter deel van het inkomen dat naar vervoer gaat. Misschien stappen mensen massaal over op de trein, wat ook tot problemen leidt. Misschien worden de blokkades voor thuiswerken acuut opgeheven. Voor de onderkant van de samenleving wordt het zwaar. Dat hebben we vorig jaar in de VS gezien. Mensen zegden hun derde baantje op, omdat het meer kostte om naar het werk toe te rijden dan dat ze ermee verdienden. In Nederland gaan we het ook moeilijk krijgen.” En ze zegt nog eens: „We zijn zo ontzettend verwend geweest.”

Ziet u een oplossing?

„Iedereen beseft dat we moeten overstappen op duurzame alternatieven. Het Westen is die route al ingeslagen en zal daardoor als grote oliemarkt kleiner worden. De groei voor olie zit in Azië en het Midden-Oosten. Ik hoop alleen dat duurzame energie niet een nieuw onderwerp van machtspolitiek gaat worden. We kunnen de conflicten om olie- en gasgebieden op termijn achter ons laten, maar wat krijgen we ervoor terug? Verschuift de strijd naar duurzame technologie? Als we de Sahara volzetten met zonnespiegels, van wie zijn die dan? Krijgen we een wedloop om die woestijn, net zoals we die nu zien voor olie en gas op de Noordpool? En zullen landen hun eigen standaarden voor windturbines, elektrische auto’s en zonnepanelen doordrukken?”

Van een rimpelloze overgang naar duurzame energie zal dus geen sprake zijn?

„Ik zie vaak hoopgevende presentaties met dia’s in sepiakleur. Het straalt harmonie uit. De boodschap luidt: in 2030 hebben we het probleem opgelost. Maar ze zeggen er niet bij dat de weg daar naartoe niet geleidelijk zal gaan. Er zijn te veel belangen te verdedigen. Het zal er ruw aan toe gaan. Met grote schokken.”

In Nederland wordt nu gesproken over een tweede kerncentrale. Hoe denkt u daarover?

„Ik geef de voorkeur aan windenergie, met ondersteuning van gascentrales. Maar misschien is dat niet genoeg.”

Bent u dan niet bang dat we voor gas te afhankelijk worden van Rusland?

„Niet als Nederland de ambitie waarmaakt om gasrotonde te worden van Noordwest-Europa. Dat wil zeggen dat we een soort draaischijf worden voor gas. We ontvangen het uit allerlei richtingen en sturen het weer door, naar Duitsland, België, Groot-Brittannië. Per schip wordt gas bij ons in vloeibare vorm aangevoerd, wellicht vanuit Algerije, Libië, Nigeria. Dat slaan we tijdelijk op in terminals. Eentje wordt al gebouwd, er staan er nog twee op de agenda. Als onze eigen gasvelden leeg zijn, kunnen we daar ook gas in opslaan. Daar wordt eveneens aan gewerkt. We kunnen verder uit landbouwafval biogas maken. Ook daar is een begin gemaakt. De Algemene Energie Raad heeft aan de regering het advies gegeven sterk in te zetten op die gasrotonde en vergassingstechnologie.”

U zit in die Algemene Energie Raad, samen met mensen als voormalig Shell-directeur Peter Vogtländer en oud-topman George Verberg van de Gasunie. Wordt het energiebeleid in Nederland niet bepaald door een te kleine elite?

„Ik geloof niet zo in ideeën over samenzwering en beïnvloeding. Het gaat in de praktijk altijd grilliger en ongestuurder dan mensen denken. Ons advies over de gassector is toevallig goed geland bij het ministerie van Economische Zaken. Maar we hebben bijvoorbeeld ook geadviseerd over de reorganisatie van de stroomsector, die nu op stapel staat. De toenmalige minister Brinkhorst trok zich daar niks van aan. Hij zette de splitsing door.”

U bent sinds kort ook commissaris bij het Duitse gasbedrijf Wintershall, dat bovendien sponsor is van uw onderzoeksgroep bij Clingendael. Is dat geen belangenconflict?

„Zo voel ik het niet. Ik ben door de Nederlandse dochteronderneming van Wintershall gevraagd mijn gaskennis in te brengen. Het was voor mij een mooie kans om eens te zien hoe een bedrijf van binnen werkt. Ik was heel lang een desk jockey. Ik las veel, maar had nog nooit met mijn poten in de modder gestaan. Dat heb ik altijd als een gemis ervaren.”

U heeft ook nog een leerstoel in Groningen. Die wordt betaald door de Gasunie. Is uw onafhankelijkheid daarmee niet in het geding?

„Alsof de Gasunie iedere keer tijdens mijn colleges komt controleren wat ik zeg en doe. Die financiering tast mijn onafhankelijkheid niet aan, althans zo voel ik het totaal niet. Zodra ik mijn onafhankelijkheid verlies, ben ik niet meer geschikt voor mijn werk. Onafhankelijkheid zit tussen de oren. Ik voel geen enkele belemmering om te zeggen wat ik wil. Het is maar hoe je in elkaar steekt. Sinds mijn ongeluk staat m’n hele leven in het teken van onafhankelijkheid. Die drang is zo sterk. Toen ik maandenlang op bed moest liggen, heb ik ervaren hoe het is om afhankelijk te zijn. Ik wist: dat wil ik nooit meer.”