VREEDZAAM PAKISTAN

Pakistan heeft de naam een broeinest van terroristen te zijn. Hoe zien ze de toekomst, die veertienduizend jonge Pakistanen die studeren in Peshawar, aan de grens met Afghanistan? ‘Wij zijn een ordentelijk land.’

In het gastenverblijf van de Universiteit van Peshawar staat het nieuws aan voor de laatste perikelen in de Pakistaanse politiek. De stroom kan nu ieder moment uitvallen. Storingen van tien of twaalf uur per etmaal zijn normaal geworden, dus staat de airconditioning vol aan om een koude buffer op te bouwen tegen de kleverige zomerhitte. De telefoon ligt op te laden. Tegen half acht komt een tekstbericht binnen: ‘We zijn geen terroristen. Terroristen zijn degenen die onze moslims doden in Irak, Palestina, Afghanistan, Kashmir. Ok dear Anna (afgekort van Antoinette). Wij, alle Pakistanen, weten zeker dat de Talibaan geen moslims zijn. Ze zijn agenten van niet-moslimlanden, ok sweet Anna?’

Ik herken het nummer niet, maar enkele minuten later komt een volgend bericht: ‘Alsjeblieft, laat ons het geheim van je zachte roze huid weten! (Asma, Mina, Sakina)’

Het zijn de meisjes van het Islamic Study Centre die ik vanmiddag heb gesproken. In de klas deden ze nauwelijks hun mond open en in tegenstelling tot veel andere jonge vrouwen op de universiteit, waren ze verpakt in full niqab; alleen hun ogen waren nog vrij.

Ik tekst terug: ‘Hi Asma, Mina & Sakina. Ik denk niet dat jullie terroristen zijn. Voor een lichte huid: uit de zon blijven en sunblock smeren. Bye, Anna.’

Na de les sprak ik de meisjes in de gang. Zij waren nieuwsgierig, maar ook schichtig en keken over hun schouder of er geen mannen in de buurt waren. Ze vertelden over hun toekomstplannen. Trouwen. Kinderen. Misschien wilden ze lesgeven, maar de toekomstige echtgenoot moest dan wel toestemming geven. Wilden ze dat niet zelf kunnen besluiten? Mina zei dat het leven voor vrouwen zo slecht nog niet was: ‘De mannen verdienen het geld en wij eten het op’, grapte ze. Je zou denken dat ze opzien tegen hun getrouwde toekomst. Maar nee, ze kunnen niet wachten, blijkt uit hun derde sms die avond, het antwoord op het sunblock-advies: ‘Ok, heel erg bedankt. Prettig weekend. Geniet er van. Ur lucky u hv husband. Ahhh, we don’t have...’

De studenten van de Universiteit van Peshawar, in de hoofdstad van de North West Frontier Province aan de grens met Afghanistan, weten heel goed welk imago ze hebben in het Westen. Terroristen. Extremisten. Steunpilaren van de Talibaan. Alle mannen zijn vrouwenonderdrukkers en dus zijn alle vrouwen zielig. Dat imago hebben ze zelfs in andere delen van Pakistan. Een vriendin uit Karachi, een megapool met naar schatting 18 miljoen inwoners, lijkt het maar eng in het thuisland van de Pathanen. ‘Die baarden. De manier waarop ze hun vrouwen behandelen. Ze zijn achterlijk.’ Een Afghaanse vriend, zelf ook Pathaan, mailt gealarmeerd als hij hoort dat we naar Peshawar gaan: ‘Pas goed op, het is daar gevaarlijker dan in Afghanistan.’ Dat is onzin, maar hij gelooft het.

Vooroordelen

Rector magnificus Azmat Hayat kent de vooroordelen. Als we op een avond bij hem thuis zijn uitgenodigd, wist hij zich met een handdoekje het zweet van zijn ronde hoofd: ‘Als ik op een receptie of een feestje in Islamabad zeg dat ik uit Peshawar kom, kijken ze alsof ik een handgranaat naar binnen gooi.’

Het eerste college werd begin twintigste eeuw door de Britten gebouwd. Omdat die vreesden dat niemand zijn kinderen naar de school van de kolonisator zou sturen, vroegen ze de meest hardnekkige opstandeling van die tijd om de eerste steen te leggen; het arrestatiebevel werd speciaal voor de feestelijke gelegenheid opgeschort. Nu zijn veertienduizend studenten bezig aan een bachelors- of mastersopleiding. Ze studeren aan 48 verschillende afdelingen, variërend van archeologie tot zoölogie, van Perzische taal- en letterkunde tot Pashto, de taal van de in meerderheid Pathaanse bevolking in dit deel van Pakistan.

De meeste studenten komen uit de North West Frontier Province, ook uit de beruchte stammengebieden die door Navo-generaals als broedplaatsen van extremisme, Talibaan en Al-Qaeda worden gezien. Het aantal luchtaanvallen vanuit Afghanistan op die stammengebieden is het afgelopen jaar snel toegenomen en met aanslagen lijken de ‘opstandelingen’ – bij gebrek aan een beter woord – de Amerikaanse grondtroepen de stammengebieden in te willen lokken. Het grensgebied wordt zo het nieuwe brandpunt in de War on Terror. Terwijl het geweld over Pakistan heen spoelt, moeten de studenten er een leven opbouwen. Hoe zien zij hun toekomst? Wat willen jonge Pakistanen voor zichzelf en voor hun land?

Oase

Met haar uitgestrekte tuinen lijkt de universiteit een vredige oase, niet vatbaar voor geweld, corruptie, machtspolitiek en armoede, die buiten de hekken het leven van de doorsnee Pakistaan zo moeilijk maken. Hier is enkel een legertje tuinmannen nodig. Ze snoeien de roze wolken bougainvillea en fietsen met de grasmaaier onder de snelbinders van gazon naar gazon om ratelend de groene vlaktes te trimmen. De sinaasappelboompjes zijn bolrond gesnoeid. De frangipani strooit zachtgele geurende bloemen.

Schijn bedriegt. ‘Alles is veranderd, nee, verbrijzeld na elf september’, roept student sociologie Najeeb geëmotioneerd te midden van een groepje jongens die zijn komen praten op de buitengalerij van een van de studentenverblijven, Hostel nr.1. De andere studenten knikken. Verbrijzeld, ja, dat is het goede woord. Najeeb gaat door: ‘Jullie denken dat jullie ons moeten vernietigen en dat wij barbaren zijn, maar dat is allemaal propaganda. We zijn een fatsoenlijk land, we willen onszelf slechts beschermen tegen onze buurlanden.’

Zaheb, afkomstig uit Bannu aan de rand van de stammengebieden, legt uit waar een deel van de pijn zit. ‘We kunnen nauwelijks nog in het buitenland studeren. De meeste landen zijn xenofobisch geworden en bang van Pathanen.’ Het is oneerlijk zeggen de jongens. ‘De Pathanen zijn gastvrij en vooral opgeleide mensen zijn vredelievend. Ze doen niemand kwaad als je hen niet probeert te vernietigen.’ Bovendien, zeggen ze: ‘Als jullie ons laten studeren in je land, krijg je artsen en ingenieurs terug. Pakistaanse artsen staan heel goed bekend.’ Waarom jonge Pakistanen met zoveel argwaan worden bezien ook al zijn verschillende aanslagen herleid tot de North West Frontier, begrijpen de studenten niet of willen ze niet begrijpen: ‘Niet één van de kapers van de 9/11-vliegtuigen kwam hier vandaan’, zegt Najeeb verontwaardigd. ‘Het probleem is’, zegt Kashef, ‘dat buitenlandse mogendheden zich met onze zaken bemoeien. Ze verstoren onze grenzen. Ze doden onze mensen en ze steunen onze dictators.’

Volgens Shaji uit het Bajaur lost het leger-optreden niets op in de stammengebied. ‘We hebben onderwijs nodig en democratie. Nu worden we geregeerd door een politieke agent die de FCR uitvoert.’ De Frontier Crimes Regulation houdt stammen in plaats van individuen verantwoordelijk. Hele families verdwijnen achter de tralies en dorpen worden platgebuldozerd wanneer de stammen zich misdragen. Al decennia weigert de federale staat Pakistan gehoor te geven aan het verlangen van de stammen naar gewone burgerrechten. Nu bieden Talibaan en Al-Qaeda met het instellen van Shariat rechtbanken een alternatief voor de FCR, ‘de Zwarte Wetten’, zoals Shaji ze noemt.

Deze generatie studenten is opgegroeid toen generaal Musharraf aan de macht was. Ze peinzen niet over een carrière in het leger. ‘Dat krijgt 85 procent van de overheidsbegroting, maar het Indiase leger is beter uitgerust en sterker. Wat heeft het dan voor zin?’, vraagt een van de jongens in Hostel nr. 1. ‘Vroeger wilde iedere jongen wel in het leger’, weet Najeeb. Hij heeft gelijk. Automobilisten plakten stickers op hun achterruit: ‘Pakistan army, men at their best!’, want de soldaten waren helden die het land verdedigden tegen het grote boze India.

Stickers en trots zijn verdwenen. Nu voor de zoveelste keer de democratie opnieuw wordt uitgevonden, blijkt hoezeer het leger aan populariteit heeft ingeboet. ‘Het leger moet zich niet bemoeien met de regering, ze moeten gewoon de grenzen bewaken’, zijn de studenten het eens. Najeeb zegt dat vooral de grootschalige legeroperaties en de raketaanvallen met Amerikaanse drones (robotvliegtuigjes) in de stammengebieden kwaad bloed hebben gezet. ‘Zoveel mensen zijn gedood in Zuid Waziristan, Bajaur en andere gebieden’, zegt hij. ‘Ze voeren oorlog tegen hun eigen mensen en dat namens een ander land.’

Dat andere land, de Verenigde Staten, probeert in een bovenzaal van het universiteitsmuseum een goede indruk te maken met een tentoonstelling over de islam in Detroit. Op de ochtend van opening is de weg afgezet door een politie-eenheid. Agenten zitten in de schaduw van een ficusboom. Binnen staan ketels met melkthee klaar en obers dragen schalen met koekjes en samosa’s naar binnen.

Lynne Tracey, de ‘principal officer’ van het Amerikaanse consulaat, opent samen met de rector magnificus de tentoonstelling. De boodschap is plat gezegd: Amerika heeft geen hekel aan moslims, of, zoals Tracey het formuleert: ‘We zijn heel blij dat we dit naar Peshawar kunnen brengen, zodat iedereen de kans krijgt om te zien dat de Verenigde Staten mensen van alle religies verwelkomen en een plaats bieden waar iedereen samen kan leven.’

Rector Azmat Hayat klapt braaf mee met de genodigden. Hij vindt Tracey wel een goede diplomaat, maar hij mist de vorige. Daar kon je lol mee hebben. ‘We hadden hem uitgenodigd voor een feest aan de rand van de stammengebieden. Zijn veiligheidsmensen kwamen klagen dat ze hem daar moeilijk konden beschermen. Hij was niet weg te branden en bleef tot diep in de nacht. Toen de drank op was, haalde hij een hele krat whisky uit zijn auto.’*

Pakistaans isolement

De band tussen de Verenigde Staten en Pakistan is al decennia hecht, maar problematisch. Amerika steunt regering en leger en houdt zo een vinger in de Aziatische pap. De Pakistanen vinden de Amerikanen ontrouw. In de jaren tachtig steunde Pakistan met Amerika – en de Golfstaten – de Afghaanse opstand tegen de Sovjets, maar toen die zich terugtrokken, verdwenen ook de Amerikanen en lieten ze Pakistan mooi zitten met miljoenen vluchtelingen, een wapen- en drugscultuur en een burgeroorlog bij de buren. Dat Pakistan de War on Terror niet van harte steunt, is niet verbazingwekkend. Pakistanen zijn er van overtuigd dat Amerikanen en andere Navo-partners eerder vroeger dan later met de noorderzon zullen vertrekken uit Afghanistan. De strategie van het Pakistaanse leger en de geheime dienst ISI is gericht op wat daarna gebeurt.

Dat het land bijna als een schurkenstaat wordt gezien, doet heel erg pijn in Pakistan. ‘We voelen ons zo geïsoleerd’, zegt doctor Farooqi, de dekaan van het Islamia College. ‘We willen zo graag een relatie met andere universiteiten. Kunt u ons in contact brengen met Leiden?’

Niet alleen de meisjes van het Islamic Study Centre en de jongens van Hostel nr. 1, maar ook sommige docenten schieten meteen in een defensieve reflex. Ook al is nog geen vraag gesteld over zelfmoordaanslagen of terrorisme. ‘De Talibaan zijn niet vreemd voor ons’, zegt een docent van het Islamia College. ‘Het zijn onze kids, onze neven en broers.’ Bovendien, vindt hij, zijn de extremisten een product van de Amerikanen. In de jaren tachtig kwamen ze van heinde en verre. ‘En nu moeten we ze eruit trappen, maar waarheen? Ze zijn hier getrouwd. Ze hebben kinderen. We moeten geen oorlog voeren, maar met ze om de tafel gaan zitten, luisteren en praten.’

Aan het begin van ons verblijf aan de universiteit vragen we ons af hoe lang het zal duren voordat iemand over de film van Wilders begint. Maar ook in Pakistan was de ophef een hype. In totaal zijn er precies twee studenten die erover beginnen, zonder dreigementen, maar wel verontwaardigd. ‘Bij ons is het toch ook niet toegestaan om Jezus te beledigen’, zegt Shah Hussein uit het Afghaanse Jalalabad, ‘waarom worden de cartoons en de film in jullie land dan niet aangepakt?’

Student journalistiek Daoud heeft geen tijd voor begripvolle beschouwingen. ‘Wij zijn die mannen met baarden helemaal beu’, zegt hij als we tegen de middag naar het cafetaria lopen voor een snelle studentenhap. ‘Ze verspreiden terrorisme en extremisme, maar de mensen willen vooruitgang en bij de moderne wereld horen.’ Daarom heeft volgens Daoud de seculiere partij ANP hier gewonnen bij de laatste verkiezingen.

De studenten in Hostel nr.1, onze bijna dagelijkse pleisterplaats, hebben geen hoge verwachtingen van de hoofdrolspelers van Pakistans democratie, ex-premier Nawaz Sharif en Asif Zardari, de weduwnaar van Benazir Bhutto – en inmiddels president. ‘Zardari?’ hoont een van de studenten, ‘die heeft jaren in de gevangenis gezeten. Wat moeten we verwachten van iemand die bewezen corrupt is?’ Met een mengeling van jaloezie en bewondering vergelijkt Sikandar zijn land met India: ‘Daar is Manmohan Singh van bescheiden komaf toch premier geworden. Hier is zoiets niet mogelijk. Altijd dringen dezelfde families zich op: de Bhutto’s, de Chaudry’s, de Sharif’s. Zij worden premier en president en laten niemand anders toe. Iedere vijf jaar zijn er verkiezingen en dan komt de volgende corrupte regering aan de macht’. Hoe zal het hier dan zijn in vijf jaar tijd? De studenten beginnen te lachen. ‘Actually Ma’am, we weten niet wat er volgend jaar gebeurt, laat staan over vijf jaar.’ Niets is zeker hier.

57 procent analfabeet

Slechts 43 procent van de Pakistanen kan lezen en schrijven. Geen wonder, want volgens Unicef besteedt het land jaarlijks slechts 1 procent van het nationaal budget aan openbaar onderwijs. Andere indicatoren stellen evenmin gerust. Ruim tien procent van de kinderen haalt de vijf jaar niet eens en een derde van de Pakistanen leeft onder de armoedegrens.

In het Institute for Management Stu-dies in Peshawar rommelt directeur dr. Shah Jehan in zijn bureaula. Als hij weer opduikt, toont hij de dreigbrief die hij een half jaar geleden heeft gekregen. ‘In deze universiteit zitten jongens en meisjes bij elkaar en ze dansen en zingen. Dit moet ophouden. We zeggen het op een zachtaardige manier, maar voor ons is het heel makkelijk om iemand te doden. Als je het niet begrijpt, blazen we het gebouw op en alles erin’, leest hij voor.

De universiteit heeft Shah Jehan van een bewaker voorzien. ‘Maar je moet de bewaker eens goed bekijken’, zegt Jehan, terwijl hij met duim en wijsvinger een denkbeeldige afstand aan: ‘Hij heeft zúlke dikke glazen en kan niet eens het verschil zien tussen een sigaret en een pen.’

Een paar dagen voor ‘elf september’ keerde Shah Jehan terug vanuit Hawaii waar hij doceerde. ‘Van de hemel kwam ik in de hel’, grijnst hij. Shah Jehan is gladgeschoren, serveert bier op warme zomeravonden en heeft een Amerikaans accent. ‘Het liefste zou ik in spijkerbroek rondlopen, maar het bestuur vindt dat niet passend voor een professor.’

Toch is het een misvatting om hem als eendimensionaal modernist te beschouwen. Niet zozeer omdat hij naar eigen zeggen altijd een pistool bij zich heeft. Nee, de professor blijft een stammenjongen die zich beschermd weet door iets veel machtigers: ‘Ik heb mijn bedreigers duidelijk gemaakt dat ik de dingen oplos in the tribal way. Ik weet precies tot welke stam zij behoren en zij weten dat mijn stam, de Khattaks, wraak zal nemen als mij iets gebeurt.’

‘Doctor Kahn hero!’

Tot diep in de nacht komen de tekstberichten van studenten binnen. Van ‘Hi Ma’am, how was your day!’ en ‘Hi. Really sorry voor het late bericht. Ik hoorde dat er een aanslag was in Islamabad. Zijn jullie al terug? Antwoord! Ik maak me zorgen.’

Er komt ook een uitnodiging voor Takbir-nacht per sms van de Islamia Jamiat Taleba, de studententak van een religieuze partij die binnen de wet functioneert, maar vaak standpunten deelt met militante groeperingen. Takbir is een superlatief dat verwijst naar ‘God is groot’. Maar in Pakistan wordt op Takbir-dag de grootsheid van de atoombom gevierd. Dit jaar is het extra feest, want het is tien jaar geleden dat de eerste test slaagde, met dank aan kennis die Dr. Abdul Qadir Khan, het brein achter de test, in Nederland had opgedaan.

De sms luidt: ‘De rally vertrekt om 20.00 uur vanaf New Hostel. Verder alles goed?’

Met vertraging start ’s avonds de optocht, de rally, opgehouden door een schermutseling tussen voor- en tegenstanders. Gegeneerd proberen een paar studenten ons weg te sturen. De demonstranten ‘vertegenwoordigen slechts een klein deel van de studenten’, is het commentaar. De Jamiati’s zijn toch al niet populair, want ze vallen feestjes binnen, eisen dat de muziek wordt afgezet en maken het onmogelijk dat mannen en vrouwen er bij elkaar zijn.

Aan de optocht doen niet meer dan honderdvijftig studenten mee. Met brandende fakkels lopen ze langs hostels en faculteiten. ‘Shame, shame’, roepen ze, want zij vinden het een schande dat Khan huisarrest kreeg toen zijn internationale smokkelnetwerk van nucleaire parafernalia werd opgerold. ‘Hero, hero! Doctor hero!’ roepen ze. Als de sliert demonstranten langs het pleintje met restaurantjes trekt, eten de studenten daar onverstoorbaar verder aan hun rijst met curry.

In Dir, een prinsdom dat pas in de jaren zestig tot de staat Pakistan toetrad, werden degenen die hoger onderwijs wilden volgen, verbannen door de heerser, de Nawab. Die wilde niet dat zijn onderdanen meer dan tien jaar onderwijs kregen, anders werden ze te slim en konden ze tegen hem in opstand komen. Onderwijs is nog altijd een ontsnappingroute uit armoede en onderdrukking in Pakistan. ‘Vergeet niet’, staat in de brochure voor studenten, ‘dat jullie familie een groot offer heeft gebracht om jullie te laten studeren.’

De hele zomer bereiden hardwerkende studenten zich voor op hun najaarsexamens. In Peshawar beloven tientallen bureaus dat ze studenten naar het buitenland kunnen helpen en er wordt kwistig met namen als ‘Cambridge’, ‘Oxford’ en ‘Harvard’ gestrooid. In Peshawar’s enige vijfsterren- hotel, het Pearl Continental, lopen op dinsdagmiddag enkele studenten aarzelend de glanzende lobby in. Ze komen voor persoonlijk advies van bemiddelingsbureau HR Consultants.

Zulfiqar Ali uit Parachinar in het Kurram-stammengebied heeft net zijn gesprek gehad. Hij wil niet laten merken dat hij teleurgesteld is, maar het advies was feitelijk: vergeet het maar. ‘De bankrekening is niet goed genoeg’, zegt Zulfiqar. ‘Voor drie jaar studeren in het Verenigd Koninkrijk moet er minimaal 48.000 pond op je rekening hebben.’

Vooral de vrouwen van de North West Frontier hebben een enorme sprong voorwaarts gemaakt. Bijna de helft van de studenten is vrouw en bij sommige studierichtingen, zoals psychologie, zijn ze zo in de meerderheid dat quota zijn ingevoerd en jongens voorrang krijgen. Meer nog dan bij de mannen geldt dat hun studiekeuze een familieaangelegenheid is.

MBA-student Homa heeft een prachtige stem en verlangt naar een leven als popster. ‘Maar dat is dagdromerij’, weet Homa, het zal nooit gebeuren: ‘We hebben een woord: dam. Dat betekent zoiets als vulgair. Zingen en dansen zijn ‘dam’. Het is net zo slecht als werken als stripper, want in onze cultuur mag je jezelf niet vertonen.’ Homa’s grote voorbeeld is de vermoordde Benazir Bhutto. ‘Misschien was ze corrupt, maar wat ze ook gedaan heeft, ze was de sterkste vrouw in het land en van grote invloed op alle vrouwen van Pakistan.’

Steeds als ze Benazir op tv zag, vroeg Homa zich af: ‘Dat is een vrouw van dezelfde natie, maar waarom is zij daar en ik hier?’ Homa antwoordt zelf: ‘Het verschil is: zij was sterk en ik niet. Ik zal het systeem niet uitdagen.’ Wat zijn de gevolgen als ze dat wel doet? Homa: ‘Er zijn geen gevolgen. Ik zal nooit rebelleren, want ik heb het lef niet. Ik ken mijn familie. Het beetje vrijheid dat ik nu heb, zou ik verliezen. Ze zouden me opsluiten voor de rest van mijn leven, of erger nog, me doden.’

Collega-studente Fatima werpt tegen dat er wel degelijk vooruitgang is: ‘Mijn oudere zus wilde tien jaar geleden haar masters doen aan de Universiteit van Peshawar, maar het was niet mogelijk voor vrouwen. Nu is het normaal geworden, dus zelfs in korte tijd is veel verbeterd.’

Maar buiten de leslokalen zie je de vrouwen haast niet. Als het koeler wordt, zwermen honderden mannen uit over de grasvelden om te voetballen, cricket te spelen of om rondjes te rennen, maar er is er geen vrouw te zien. Lema, studente economie en dochter van een Afghaanse moeder en een Pakistaanse vader, is een uitzondering. Met twee vriendinnen zit ze pontificaal in een van de tuinen. ‘Nida en Mishi komen iedere maand.’ Ze zijn al afgestudeerd maar Lema’s vrouwelijke jaargenoten durven zich niet buiten te vertonen. ‘Ze willen niet gezien worden in de nabijheid van jongens.’ Onzin, vindt Lema: ‘Je zit toch ook al met die jongens in de klas.’

Extremisten hebben gedreigd met aanslagen als ze jongens en meisjes samen in de parken of in het internetcafé zien, maar Lema laat zich niet naar binnen jagen. ‘Ik heb mijn vriendinnen gevraagd om naar de universiteit te komen en mij gezelschap te houden. Ik regel mijn eigen leven en ben altijd gelukkig.’

Voor de toekomst van Pakistan en de North West Frontier is misschien niet de vraag of het leger het van de militanten kan winnen, maar of de cultuuromslag die gaande is, gestopt kan worden door mullahs en andere conservatieven. Aan reclames zie je wat marketingstrategen nu als verkoopbaar ideaalbeeld zien. Commercials voor creditcards en verzekeringen tonen jonge gladgeschoren mannen in westerse kleding met jonge slanke vrouwen met onbedekte lange haren, de dupatta – lange shawl – decent voor de borstpartij geschikt. Het ideale gezin heeft twee jonge kinderen die ravotten in de tuin en opa, nog wel gekleed in traditionele wijde shalwar en kamiz, kijkt boven zijn Engelstalige krant uit. Er zijn ook spotjes waarin labradors over het gras rennen, jongens gitaar spelen en vrouwen spijkerbroeken dragen. Adolescenten sturen eindeloos sms’jes via Mobilink ‘Ladies First’, Zong, Ufone en andere providers en ze drinken Pepsi, Coca Cola of het gifgroene Mountain Dew. In praatprogramma’s, verschijnen Pakistanen van allerlei pluimage, traditioneel en Westers gekleed, gesluierd en ongesluierd. En op het Pathaanse Khyber TV kunnen toeschouwers zich vergapen aan vrouwenworstelen, aangekocht uit Amerika.

Maar Lema is niet de enige die de ongeschreven regels breekt. Enkele dagen later lopen voor de etalage van de London Book Store in het centrum van Peshawar twee stelletjes van voor in de twintig. De jongens in T-shirts, hun spijkerbroeken laag op de heupen. De meisjes ook in jeans, maar met lange gewaden daaroverheen en met een hoofddoek. De manier waarop ze zich kleden is nog niet zo schokkend, maar iets anders wel: terwijl ze lachend en pratend door de drukke winkelstraat lopen, kan iedereen aan de verliefde paartjes zien hoe snel dit land van de Pathanen verandert. Ze houden handen vast.

Antoinette de Jong, journalist, en Robert Knoth, fotograaf, publiceren regelmatig in M.

*Lynne Tracey was tijdens de nazomer doelwit van een aanslag in Peshawar, maar ontsnapte ongeschonden in haar gepantserde voertuig. Een radiouitzending over de universiteit van Peshawar te beluisteren is bij het Bureau Buitenland van de VPRO: www.villavpro.nl/