Tabe Bas (1927-2009)

Vorige week donderdag overleed Tabe Bas, plotseling en onverwacht. Hij zou deze maand 82 jaar worden en door zijn onveranderde jeugdige levendigheid dachten we dat hij onsterfelijk was.

Hij was een goede schaker die als kind al lid van schaakclubs was geworden en schaakboeken en tijdschriften bestudeerde. Behalve op de clubs vond hij na de Tweede Wereldoorlog ook een leerschool op het Amsterdamse Leidseplein, waar hij als beginnend acteur vaak in de Schouwburg repeteerde. In de cafés op het plein speelde hij vluggertjes met de kanonnen van het Amsterdamse schaakleven, zoals Donner, Orbaan en Barendregt, en dat zal niet alleen een harde leerschool in schaken zijn geweest, maar ook in praten en grappen maken. Wie de verbale hardhandigheid van Donner kon doorstaan, was gestaald in een heet vuur.

Wat het spelen van ernstige partijen betreft was zijn schaakloopbaan maar kort. Hij zat in de jaren ’50 in het eerste team van VAS, dat in die tijd de sterkste club van Nederland was, en zijn grootste individuele succes was het winnen van de Bondswedstrijden in 1954 in Alkmaar.

Die heetten toen ‘de grote Bondswedstrijden’ en kort daarna werd de hoofdgroep hernoemd tot het Open kampioenschap van Nederland, zodat je kunt zeggen dat Tabe Open Nederlands kampioen avant la lettre is geweest.

Toen ik hem leerde kennen, aan het eind van de jaren ’60, had hij het serieuze schaak al opgegeven, maar zijn schaakliefde allerminst. Waar een schaakbord stond was Tabe. Hij vluggerde, analyseerde partijstellingen en reciteerde uit de klassieken, zoals Dreihundert Schachpartien van Tarrasch. Je moest hem tegenhouden om niet de hele parmantige eerste bladzijde in vlekkeloos Duits te horen te krijgen.

Ik heb Tabe eens beschreven als de wereldkampioen schaakkijken en als recordhouder in het bijwonen van Nederlandse schaaktoernooien. Andere schaakschrijvers hadden het ook vaak over hem, waardoor hij zo’n klassieke figuur in het Nederlandse schaakleven werd dat iemand aan wie hij een keer voor het eerst werd voorgesteld, blij verrast was dat Tabe Bas echt bestond en niet een door ons verzonnen figuur was.

Hij was exuberant en barstte graag uit in een aria of een literaire voordracht. Mijn katten waren eerst bang voor hem, maar na een tijdje waren ook zij overtuigd van zijn grote vriendelijkheid, ook al konden ze de mooie boeken die hij vaak als cadeautjes voor me meebracht niet lezen.

Hij klaagde nooit, behalve als hij schaakte, en dan op een karikaturale manier. Als hij na 1. e4 e6 met wit de zet 2. d4 deed, begon hij al te jammeren dat die pion ongetwijfeld verloren zou gaan en nooit zette hij zijn lopers op d3 en e3 zonder te refereren aan Davidson-Aljechin, Semmering 1926, waar die lopers op dezelfde velden misplaatst hadden gestaan.

Behalve met Davidson identificeerde hij zich ook graag met ‘futile Willy’, een figuur uit de bridgeliteratuur die dat spel net goed genoeg beheerste om de plank altijd net mis te slaan.

In iedere wereld bestaan kleine of grote vijandschappen, maar Tabe, bron van anekdotes, warmte en vrolijkheid, leek in de vele werelden waarin hij verkeerde alleen vrienden te hebben.

Hier is een kleine studie die hij in maart 2004 met het motto ‘Tevreden naar Bed’ publiceerde in EBUR, het blad voor de eindspelstudie.

Zie diagram

Tabe Bas, 2004.

Wit begint en wint.

1. b4 De enige zet die wint. 1...Ke2 Na 1...cxb3 haalt wit meteen een dame met 2. d4 en na 1...Kf2 2. Kb2 Ke2 3. Kc3 Kf3 4. d3 wint wit ook simpeler dan in de hoofdvariant. 2. Kc2 Kf3 3. d3 c3 Dit pionoffer is zwarts enige kans op verzet. 4. Kxc3 Na 4. d4 Kf4 5. Kxc3 Ke4 zou een stelling met wederzijdse zetdwang ontstaan die met wit aan zet remise is. 4...Ke3 5. Kc2 Kd4 6. Kd2 Ke5 7. Ke3 Kd5 8. d4 Kc4 9. Ke4 Kxb4 10. d5 Kc5 Na 10... Ka3 11. d6 b4 12. d7 b3 13. b8D wint wit ook. Tabe merkte nog op dat uit deze variant blijkt dat de beginstelling remise zou zijn als alles één lijn naar rechts verplaatst wordt. 11. Ke5 b4 12. d6 b3 13. d7 b2 14. d8D b1D en wit wint de zwarte dame met een paar schaakjes.

In EBUR schreef Tabe: „Tevreden wilde ik naar bed toen me inviel dat zwart na 1...Ke2 2. Kc2 Kf3 3. d3 c3 4. Kxc3 Ke3 5. Kc2 niet gedwongen is om 5...Kd4 te spelen. Weliswaar verliest 5...Kf3 na 6. Kd2 Kf4 7. Ke2 Ke5 8. Ke3, maar na 5...Kf4 dacht ik even dat het remise was.” Hij zag dat daarna 6. Kc3 Ke3 niet opschoot voor wit en dat het na 6. Kd2 Kf3 7. d4 Ke4 8. Kc3 Kf5 9. Kd3 Kf4 remise zou zijn. Gelukkig vond hij al snel dat wit na 5...Kf4 toch kon winnen, namelijk met 6. Kb2. Na 6...Kf3 (6...Ke3 verliest na 7. Kc3 Kf4 8. Kd4 en na 6...Ke5 of 6...Kd5 wint wit met 7. Kc1) 7. Kb3 Kf4 8. Kc2 staat de stelling op het bord die al geweest is na 5...Kf4, maar nu met zwart aan zet, wat alle verschil maakt. Er kan volgen 8...Ke5 (of 8...Kf3 9. Kd2 met een winst die we al gezien hebben) 9. Kd1 (9. Kd2 Kd4 10. Kc2 Ke5 duurt langer, omdat wit dan alsnog 11. Kd1 moet doen) Kd4 10. Kd2 Ke5 11. Ke3 en wit wint. Toen kon Tabe werkelijk tevreden naar bed.

Hans Ree