Slecht nieuws ging nooit over ons . Maar toen kwam de crisis

Crises hebben door de eeuwen heen de globalisering meermaals stopgezet, aldus Harold James. Maar voor het eerst in de historie valt een crisis ook mijn generatie lastig, schrijft Ingmar Vriesema.

Twintigers en dertigers kijken hun ogen uit. Zij hebben nauwelijks rampspoed meegemaakt, en zien nu hoe banken failliet gaan en hoe vrienden worden ontslagen. Autonoom hun leven uitstippelen is niet meer vanzelfsprekend. En dat is wennen.

Redacteur van NRC Handelsblad, geboren in 1980

Er is iets vreemds aan de hand. De kredietcrisis was maanden geleden voorpaginanieuws, en is dat nog steeds. De crisis is zelfs zó aanwezig dat wij er enigszins onrustig over praten – mijn vrienden en ik, aan tafel, op feestjes, in de kroeg. Zij dringt zich aan ons op. We hebben het over de gevolgen voor onze banen en onze huizen. En dat is nieuw. Want van nieuws werden wij nooit onrustig. Waarom zouden we ook? Wij behoorden tot de leeftijdsgroep, of generatie, die opgroeide in de jaren tachtig en negentig. De Tweede Wereldoorlog was geen trauma, maar een schoolboek. Van de Koude Oorlog maakten wij niet de dreiging mee, maar alleen het happy end. En economische crises raakten ons niet. De economie groeide per definitie – en als die eens stilviel, was dat juist hoopgevend: daarna zou het alleen nog maar beter worden. Tegenslag kenden wij niet, mijn vrienden en ik.

Slecht nieuws was er wel, natuurlijk wel. Maar het ging nooit over ons. Het was eerder andersom: wij gingen over het slechte nieuws. Er waren als het ware twee categorieën. Categorie 1 was bestemd voor het slechte nieuws dat snel beter werd, en categorie 2 was voor het nieuws dat slecht bleef en ons daardoor afstompte. En in beide gevallen konden we het nieuws gewoon vergeten.

Zo hielden we de wereld buiten. En de wereld werkte netjes mee. Neem de moord op Theo van Gogh, in 2004. Een duidelijk geval van slecht nieuws dat snel beter werd: categorie 1 dus. De samenleving stond weliswaar even op zijn kop, maar diezelfde dag keerde het normale leven alweer terug, ingeluid door een hels kabaal op de Dam. Ook 11 september 2001 werd uiteindelijk een 1. Want hoe wereldschokkend de aanslagen ook waren, het dieptepunt was gauw bereikt. De torens vielen om, maar dieper dan ground zero konden ze niet vallen. Daarna ging het weer bergopwaarts. Het gevoel van controle kwam stap voor stap terug, hoe illusoir het soms ook was. Wij konden in elk geval onverstoord verder leven.

Categorie 2 was voor de hopeloze gevallen. Massaverkrachtingen in Congo, inflatie in Zimbabwe – dat werk. De oorlog in Irak werd ook een 2, al dachten we even dat het een 1 werd, toen dat standbeeld van Saddam Hussein werd neergehaald. Talloze autobranden en burgerdoden later konden wij Irak definitief wegstoppen in categorie 2, veilig tussen Birma en Noord-Korea.

Zo gemakkelijk ging dat. Maar toen kwam dus die crisis. Beurskoersen kelderden, Wall Street-bankiers werden ontslagen en banken bleken te kunnen ‘omvallen’. En na de zomer van 2008 werd het nog erger. Maar de redding was nabij. Overheden grepen in en hielpen de banken overeind. Onze minister van Financiën kwam daadkrachtig over. We stopten die hele crisis in categorie 1.

Maar het crisisnieuws hield aan. Er vielen nog meer banken om. Een recessie, toch al in aantocht, werd onvermijdelijk. En het woord ‘reddingsplan’ konden we niet meer zien. Het nieuws begon ons murw te beuken. Dus trokken wij het crisisnieuws weg uit categorie 1 en borgen het op in vak 2. Van nu af aan raakte de crisis ons niet meer besloten we, net zomin als Irak ons raakte, of de onrust op Sri Lanka.

Maar de crisis bleek geen Irak, en ook geen Sri Lanka. Zij bleef ons verbazen. De premier van IJsland stapte nota bene op. En bij de ING staan maar liefst 7.000 banen op de tocht.

Kortom, onze categorieën volstaan niet meer, en dat is verontrustend. Af en toe schieten mijn vrienden en ik dan ook in een soort van ontkenningsfase. Dan zien we tekenen van markante luxe en zeggen we: ‘Hoezo crisis?’, en dan lachen we met elkaar.

Maar eigenlijk is het lachen ons nu wel vergaan. Want voor het eerst lijkt het erop dat het slechte nieuws zich buitengewoon in ons interesseert. Kennissen van mijn vrienden worden al ontslagen, en het is niet meer zo vanzelfsprekend een huis te kopen, laat staan te verkopen. Ineens kunnen we niet alles meer zelf uitstippelen. Misschien moeten we onze eisen bijstellen. Is het wel verstandig om een baan op te zeggen, alleen omdat hij ‘niet zo leuk’ is? Is het echt zo erg om samen nog een paar jaar langer in een éénkamerappartement te wonen? En misschien is het wel veilig om eens wat geld te sparen.

Geen dramatische dingen kortom, en het zal ook nog wel een tijd duren voordat wij onze veertiendaagse vakantie naar Thailand opgeven. Maar wat doen wij als de crisis straks écht op onze deur klopt, en bijvoorbeeld onze baan afpakt? Waarschijnlijk nemen wij het heft in eigen hand, en doen we die dingen die we ‘sowieso al wilden doen’, alsof de crisis er niets mee te maken heeft. Een paar maanden ertussenuit, een taalcursus, een wereldreis. Maar wat als het na terugkomst nog steeds niet lukt om een baan te krijgen? Tsja. Dan zal iedereen als een gek gaan solliciteren, om de controle over het eigen leven zo gauw mogelijk te herwinnen. En als ook dát niet mag baten, dan gaan we misschien wel staken. Of iemand aanklagen. Of we gaan de barricaden op. Maar dan moet iemand ons wel eerst zeggen wat dat eigenlijk zijn.