Rust roest

Henrika Johanna Mul was drie toen ze voor het eerst en met houten doorlopertjes ondergebonden op een bevroren sloot werd losgelaten. Tijdens de strenge winter van 1929, het jaar waarin het Amsterdamse Paleis van Volksvlijt tot op de grond toe afbrandde. Haar ouders waren verzot op schoonrijden, oftewel het sierlijk uitvoeren van de perfecte schaatsslag. Ze reden wedstrijden op lokaal niveau en vader huldigde daarbij de stelregel: je leent je vrouw, je vulpen en je schaatsen niet uit, want ze zijn naar je hand gaan staan. Zuinig waren ze ook, er diende goed voor de schaatsen te worden gezorgd, na elke schaatsdag invetten met vaseline en er niet en zelfs maar voor héél eventjes mee over het vaste land lopen. Kunstijsbanen waren er niet, die kwamen pas vele jaren later. Henny werd verpleegster en wat later maatschappelijk werkster. In 1963 reed ze haar eerste officiële wedstrijd, op hetzelfde donkerbruine paar hoge lederen schaatsen waarmee ze nu nog over het ijs glijdt. In 1985 werd ze Nederlands kampioen in de hoofdklasse en dat zou ze nog achtmaal herhalen, won daarnaast veel gewestelijke wedstrijden, de medailles hangen thuis aan een gebedssnoer. Begin jaren negentig stopte ze met wedstrijdrijden, volgde trainers- en jurycursussen en is nog minstens eenmaal per week en vooral voor de gezelligheid met haar mederijders en -rijdsters op het kunstijs te vinden.

Dit is aflevering 18 van een serie over sporters op leeftijd.