Pensioen

Onze oude dag ligt onder vuur. De politiek filosofeert over het verhogen van de AOW-leeftijd naar 67 jaar. En de pensioenfondsen hebben (in theorie) voor de lange termijn onvoldoende geld in kas. Ze schrappen daarom de aanpassing van de pensioenen aan de geldontwaarding (indexatie). Men speculeert zelfs op hogere premies en op een verlaging van de uitkeringen. Wie had dat ooit gedacht.

Een pensioenfonds is een samenwerkingsverband van (meestal) werkgevers en werknemers. Beiden stoppen geld in een pot om, tot in lengte van dagen, ouderdoms- en nabestaandenpensioenen uit te betalen. De zeer grote fondsen, zoals die voor de (semi)ambtenaren en de medewerkers in de gezondheidszorg, zullen ook na het jaar 2100 nog bestaan. Dan hebben we immers nog steeds een overheid en kwakkelen we nog altijd met onze gezondheid.

Ondanks de bijna eeuwige bestaansduur zijn pensioenfondsen niet vanzelfsprekend bastions van zekerheid. Dat zit zo. Een fonds heeft twee inkomstenbronnen: de premies die werknemers en/of werkgevers verplicht betalen, en de onzekere inkomsten uit de belegde gelden, zoals rente, dividenden, koerswinsten en huren. Tegenover die inkomsten staan twee uitgaande geldstromen: de lopende en toekomstige uitkeringen, en de kosten voor onder meer administratie, personeel en huisvesting. Alleen als het fonds goed boert, komt daar een derde uitgaande geldstroom bij: de jaarlijkse aanpassing van de pensioenen aan de gestegen lonen en/of prijzen, de indexatie.

Het vermogen in de pensioenpotten moet volgens de wet tot in lengte van jaren voldoende zijn om de verplichtingen uit te kunnen keren. Het fonds rekent daartoe alle (toekomstige) pensioenverplichtingen terug naar het heden, en komt dan uit op de zogeheten contante waarde van die verplichtingen. Die waarde hangt vooral af van de levens- en sterftekansen van de deelnemers en van de rentewinst die het pensioenfonds (volgens de toezichtregels) kan boeken. Is die rente laag, zoals nu, dan komt een fonds uit op een veel hoger bedrag aan verplichtingen dan wanneer de rente hoog is.

Een slim fonds zou daarom graag willen rekenen met bijvoorbeeld 8 procent in plaats van pakweg 2 procent rente. Maar dat verbieden de toezichthouders. Door deze regels lijden de fondsen zwaar onder de huidige (mogelijk tijdelijk) extreem lage rentestand.

Het gevolg is dat de fondsen kampen met een zwaar gekrompen dekkingsgraad, dat is de contante waarde van het fondsvermogen gedeeld door de contante waarde van de verplichtingen. Is de uitkomst daarvan 105 procent of meer, dan is het goed. Maar bij 90 procent, zoals nu wel voorkomt, rinkelen de alarmbellen en moet het fonds binnen drie jaar verplicht de dekkingsgraad opkrikken tot het minimaal vereiste eigen vermogen.

Dat is een bijna onmogelijke opgave. Een fonds heeft aan de inkomstenkant op zo’n korte termijn amper greep op de beleggingsopbrengsten. Men zou premies kunnen verhogen, maar daar zit nu niemand op te wachten. Veel gemakkelijker is de uitkeringen verschralen of de indexatie (voorgoed) afschaffen.

Maak je pensioenriemen dus maar vast. Doe zelf wat extra’s voor de oude dag, maar op een andere manier dan je fonds, zodat je niet dezelfde risico’s loopt. Dat lot treft nu een groep oudere pensioenspaarders met individuele pensioenpolissen op basis van aandelen. Door de lage beurskoersen en de lage rentestand zien deze mensen hun Zwitserlevengevoel nog erger verschrompelen dan werknemers.

Meer pensioenzekerheid schuilt ook in een afbetaald eigen huis, een paar jaar langer doorwerken, sparen tegen maximale rente, of na je pensioen gaan ondernemen, iets verhuren, emigreren naar een voordelig land of verdienen aan een hobby. Wie fantasie heeft, heeft altijd toekomst.

Lees meer van Erica Verdegaal op nrc.nl/erica