Meng die wijk maar met mate

Een wijk met bewoners uit verschillende inkomensgroepen is goed voor de leefbaarheid en weerbaarheid. Veel deskundigen vinden dat kansarmen er te weinig baat bij hebben, maar zij relativeren de invloed van de wijk niet als ze zelf een huis kiezen.

Hoogleraar sociologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

In de schaduw van de Koninklijke Stallen ben ik geboren in 1958. In de Trompstraat in het Zeeheldenkwartier. Mijn ouders, migranten uit Breda, waren naar de Haagse residentie verhuisd omdat mijn vader daar een baan en een zolderverdieping kon krijgen. Tot mijn vierde jaar heb ik daar gewoond. Toen vertrokken wij naar de nieuwe Haagse wijk Bouwlust. Een wijk die geïnspireerd was op de utopische ideeën over tuin- en functionele steden van die dagen. Bouwlust kreeg vooral eind jaren vijftig en begin jaren zestig zijn vorm. Het vertrek uit de Haagse binnenstad werd als een vooruitgang gezien. Wij kwamen in een moderne woning op de derde etage van een flatgebouw met centrale verwarming en met een mooi balkon dat uitkeek over de verderop gelegen voetbalvelden van mijn favoriete voetbalclub VCS (Voetbalclub Sparta) en dat van vijandige clubs als LenS (‘Langzaam en Sloom’) en BMT (‘Boterham met Tongenworst’). Bouwlust was een jonge wijk met veel vriendjes, een bloeiend verenigingsleven en kortgeschoren grasvelden waar met liefde over werd gewaakt door de gemeentelijke plantsoenendienst.

Ruim zes jaar later verhuisden mijn ouders opnieuw; nu naar de wijk Prinsenhof in de randgemeente Leidschendam, waar wij een eigen rijtjeswoning kregen met voor- en achtertuin aan de rand van de polder. In Prinsenhof leken alle huizen op elkaar. De wijken Bouwlust en Prinsenhof waren sociaal gemengde wijken. Er was wel veel sociale woningbouw (vooral in Bouwlust) en ook wat particuliere woningen, maar het waren wijken waarin (geschoolde) arbeiders en lagere en hogere middenklasse een plek vonden. Op de basisschool, de middelbare school en op de voetbalclubs kwamen de kinderen van deze ouders elkaar tegen.

Recentelijk ben ik met mijn dertienjarige zoon teruggekeerd naar Bouwlust. Ik was er meer dan dertig jaar niet meer geweest, maar was nieuwsgierig naar de huidige stand van zaken nu dit gebied tot ‘Vogelaarwijk’ is uitgeroepen. Er was veel gesloopt, en veel prachtvelden bleken probleemvelden te zijn geworden. Maar mijn flat had de herstructurering weten te overleven. Als een der laatste Flat-Mohikanen stond hij recht overeind. Tegelijkertijd was dit flatgebouw de belichaming van de veranderingen in Bouwlust. In de afgelopen decennia heeft een selectieve in- en uitstroom plaatsgevonden die de bevolkingssamenstelling radicaal heeft veranderd. Dat proces startte meestal door nieuwbouw elders, waartegen de bestaande wijk minder aantrekkelijk afstak. Voor 1980 had dit proces een onschuldig karakter, maar uiteindelijk resulteerde het in een witte en zwarte vlucht van middengroepen naar de randgemeenten rond Den Haag. In Bouwlust kwamen lagere sociaal-economische groepen te wonen, onder wie veel migranten uit Turkije en Marokko.

Groenteman Brox, de kapper, de kruidenier en de snackbar verderop zijn verdwenen en hebben plaatsgemaakt voor etnische ondernemers. Onderin de flat zijn nu een islamitische slager, een bel- en internetwinkel, een Afro-kapper en een Turkse Vereniging ‘Ons huis’ gevestigd. Aan de gevel van de flat prijken veel schotelantennes. Er is sprake van een hoge doorstroomsnelheid in mijn flat. Een indicatie daarvan is het ontbreken van naambordjes op het bord bij de ingang ervan. In mijn dissertatie Publieke bijstandsgeheimen heb ik het ontbreken van naambordjes beschreven als een indicator van een stilzwijgend proces van sociale afsluiting. Nummer 392, waar ik zelf ooit woonde, heeft geen naambordje. En de ruiten van de winkel waar ooit Poelier Waaijer was gevestigd, zijn dichtgetimmerd. Heel lang geleden heb ik als negenjarige jongetje die grote winkelruit per ongeluk aan diggelen gegooid. Wat zou er geschreven worden als een kleine Marokkaanse jongen dat nu deed?

De gevolgen van een kwetsbare bevolkingssamenstelling kwamen vooral aan het licht toen in de jaren tachtig het economisch tij ongunstig was. Er ontstond massawerkloosheid en honderdduizenden werknemers kwamen terecht in een of andere uitkering. Vitale arbeiderswijken werden uitkeringswijken. Vanaf het midden van de jaren negentig ging het veel beter met de economie, maar Bouwlust telt nog immer veel gezinnen met bijstand als voornaamste inkomensbron en veel langdurig werklozen. Mocht de huidige economische recessie tot massaontslagen leiden, dan zal vooral de laaggeschoolde beroepsbevolking van deze wijken erdoor worden getroffen.

Bouwlust doet zijn naam nog steeds eer aan. Er wordt opnieuw veel gebouwd. De flats waarvan in de kelders ooit ultra- geheime beraadslagingen plaatvonden ten behoeve van de jaarlijkse kerstbomenjacht zijn verdwenen. Er zijn luxe eengezinswoningen voor in de plaats gekomen, bedoeld om middengroepen aan Bouwlust te binden of ze aan te trekken.

Die menging is gestoeld op twee argumenten. Ten eerste zou er in deze buurten niet alleen sprake zijn van kwetsbare bewoners en hardnekkige sociale problemen, maar er zou ook sprake zijn van een opeenstapeling van problemen die extra negatieve effecten met zich meebrengt. Anders geformuleerd: een laaggeschoolde bewoner die in een probleemwijk woont heeft minder kansen op de arbeidsmarkt dan eenzelfde laaggeschoolde bewoner in een betere wijk. Ten tweede zou de menging van buurten leiden tot een toename van contacten tussen lagere en hogere inkomensgroepen, waarvan de lagere inkomensgroepen profiteren. Eenzelfde gedachtegang keert terug in de discussie over zwarte scholen. Zwarte scholen zijn een product van de concentratie van lage inkomensgroepen – onder wie veel laaggeschoolde migranten – in bepaalde wijken en brengen extra negatieve effecten met zich mee voor de leerprestaties van leerlingen. Maar anders dan in de sfeer van de volkshuisvesting waarin menging van de woningvoorraad een belangrijke doelstelling is, geldt dat voor het onderwijs veel minder. Pleidooien om de samenstelling van scholen via spreidingsbeleid te beïnvloeden stuiten meestal op de principes van vrijheid van onderwijs en van de vrije schoolkeuze van ouders.

De vraag dringt zich op in hoeverre deze gedachtegang achter het mengen van buurten en scholen correct is. Nee, zegt de sociaal-geograaf: er is geen sprake van extra negatieve buurteffecten, want uit onderzoek blijkt dat het niet uitmaakt in wat soort buurt een werkloze burger woont voor zijn kansen op herintreding op de arbeidsmarkt. Er moet dus niet zozeer gesleuteld worden aan de bevolkingssamenstelling van wijken via het realiseren van gevarieerde woningbouw, als wel aan de maatschappelijke positie van bewoners via goed onderwijs- en arbeidsmarktbeleid.

De onderwijskundige is het daar in grote trekken mee eens. Hij zegt: individuele kenmerken van leerlingen (daarmee wordt vooral de opleiding en de baan van ouders bedoeld) zijn belangrijker dan buurt- of schoolkenmerken bij het tot stand komen van maatschappelijke ongelijkheid in het onderwijs.

De socioloog zegt ongeveer hetzelfde. Hij is niet onder de indruk van negatieve buurteffecten, en heeft moeite met de wijk of de buurt als integratiekader. In gemengde buurten ontstaan amper sociale relaties tussen verschillende sociaal-economische groepen. Want: soort zoekt soort. Niettemin stelt de socioloog dat in arme buurten met hoge concentraties migranten, allochtonen weinig met autochtonen omgaan en dat dit een negatieve invloed heeft op de taalprestaties. En voorts dat kenmerken van een buurt van invloed zijn op de tevredenheid met een buurt – die derhalve meer is dan de optelsom van haar bewoners.

Dat vindt ook de criminoloog. Ook hij wijst erop dat de mate van sociale cohesie in een buurt invloed heeft op de veiligheid in een buurt. Maar de criminoloog schrijft dat de verschillen in veiligheid tussen buurten vooral worden bepaald door de aard van de bewonerspopulatie en niet door de buurt zelf.

Uit bovenstaande inzichten blijkt enerzijds een relativering van buurt- en schooleffecten, maar anderzijds zijn subtiele, bovenindividuele effecten zichtbaar. Daarbij komt dat veel onderzoekers de geringe buurteffecten verklaren uit het feit dat veel van onze slechte buurten nog altijd sociaal-economisch gemengd zijn. Blijkbaar speelt menging dan toch een rol en moet er voor gewaakt worden dat in een wijk louter arme en laaggeschoolde bewoners wonen. En alle deskundigen die geneigd zijn om school- en buurteffecten te relativeren, doen dat niet meer als het gaat om de keuze van de wijk waar zij zélf willen wonen of als het gaat om de keuze van de school voor hun kinderen. Dan verdwijnt elk greintje relativeringsvermogen.

Ten slotte is er de etnograaf. Die heeft meer oog voor bovenindividuele verschijnselen. Zo laat hij zien dat sommige Marokkaanse jongeren gesocialiseerd raken in een straatcultuur die van belang is voor hun overleven in de groep, maar een negatieve invloed heeft op schoolprestaties en maatschappelijke aspiraties. Hij laat ook zien dat kinderen op een (v)mbo school in de Bijlmer zich een ‘tweede natuur’ eigen maken die heel ver af staat van de wensen en verlangens van werkgevers. De observaties van de etnografen verdienen het om serieus genomen te worden. Ook hun pleidooien voor meer vergaande maatregelen waarvan menging van buurten en menging van basisscholen en (v)mbo scholen (via spreiding van leerlingen) deel uit maken. Maar we moeten daarbij wel in ogenschouw nemen dat de etnograaf vooral onderzoek doet bij groepen en op plekken waar het fout gaat.

Het is van belang om het begrip menging niet naïef te definiëren. Menging via gevarieerde woningbouw impliceert niet dat er warme onderlinge contacten zullen of moeten ontstaan tussen verschillende sociaal-economische groepen. Wel kunnen er contacten tussen kinderen en ook tussen kinderen en ouders van vriendjes ontstaan die van belang zijn voor sociale stijging. Maar wie middenklassegroepen wil binden aan kwetsbare wijken, dient rekening te houden met het gegeven van soort zoekt soort. Of het nu de opklimmende groep in de wijk zelf is die men wil vasthouden, of middenklassegroepen van buiten de wijk die men wil verleiden er te komen wonen. Deze groepen laten zich slechts binden als ze tot op zekere hoogte onder soortgenoten kunnen komen wonen. En natuurlijk moeten er ook goede voorzieningen zijn met uitstekende professionals (vooral in het onderwijs) en moet de leefbaarheid in orde zijn.

Men zou moeten spreken van ‘begrensde menging’. Een gemengde wijk bestaat dan uit clusters van lage en hogere inkomensgroepen die in relatief homogene blokken of straten woonachtig zijn. Er is geen toverformule om die verhouding vast te stellen, dat varieert van wijk tot wijk, maar het is interessant dat bepaalde naoorlogse wijken veel minder in verval zijn geraakt dan anderen. Een voorbeeld is het Haagse Mariahoeve waar veel vrienden van de middelbare school woonden. Van meet af aan was daar gekozen voor een gemengde wijk waar zowel ‘welgestelden’, ‘middenstand’ als ‘arbeiders’ zouden wonen. Ook Mariahoeve kent nu zijn sociale problemen, maar de wijk is veel minder achteruitgegaan dan andere naoorlogse wijken omdat de bevolkingssamenstelling minder kwetsbaar was.

Ik zou de vraag of het verstandig is dat Bouwlust duurdere woningen bouwt dus positief willen beantwoorden. Ik vind die mantra van de mix zo gek nog niet, indien de sociale gevolgen daarvan zorgvuldig worden begeleid. Ook diegenen die moeten verhuizen, moeten goed terechtkomen. En natuurlijk moet er ook een goed onderwijs- en reïntegratiebeleid zijn. Maar ik ben bang dat als zo’n breed offensief er niet komt, er te veel verlangd gaat worden van scholen. Dat zie je ook bij het WRR-advies van Pieter Winsemius over scholen voor (v)mbo. Dergelijke scholen groeien uit tot mini-verzorgingsstaten. Hetzelfde geldt voor de brede basisscholen. Alles is in deze scholen aanwezig: voor-, na- en tussenschoolse opvang, maatschappelijk werk, arbeidstoeleiding, politie, et cetera. Het gevaar is dat de school zo breed wordt, dat de kerndoelen vervagen.

Na Bouwlust te hebben verkend, togen mijn zoon en ik naar de straat waar ik geboren ben. Hij had grootmoedig en geduldig mijn heroïsche Bouwlustverhalen over voetbaloorlogen, kerstbomenjachten en ruiten-ingooien aangehoord, maar lopend langs de Koninklijke Stallen begon hij zich toch te verwonderen over het feit dat zijn grootouders de verhuizing naar Bouwlust ooit als een verbetering hadden gezien. Dit zag er toch wat aardiger uit. Niettemin bleek de Trompstraat een gemengde straat te zijn. En de cijfers wijzen uit dat de Zeeheldenbuurt een gemengde buurt is. Er wonen ook lage inkomensgroepen, niet-westerse allochtonen en huishoudens met een bijstandsuitkering. Het kan dus in de binnenstad. Het zou ook moeten kunnen in veel andere wijken en randsteden.

Een meer gemengde wijk is goed voor de leefbaarheid en de weerbaarheid. Neem bijvoorbeeld de Rotterdamse Afrikaanderwijk, ooit een levendige havenbuurt waarin de arbeidsbevolking werkzaam was in haven en scheepvaart, maar vijftien jaar geleden was het een wijk waar maar liefst 56 procent van de mensen met een geregeld inkomen een uitkering had (AOW’ers niet meegeteld). Vergelijkbare uitkeringswijken waren er toen te vinden in Den Haag. In de voorbije periode is de positie van veel bewoners verbeterd door een hogere arbeidsparticipatie. De huidige financiële crisis zou deze winst weleens in een klap teniet kunnen doen. Laaggeschoolden zullen immers als eerste het arbeidsproces verlaten. En als de uitkeringsdichtheid binnen een wijk groeit zullen allerhande sociale risico’s toenemen, waaronder schooluitval en criminaliteit.

Het is veel te voorbarig om de grote herstructureringsprojecten in Rotterdam-Zuid, Den Haag-Zuidwest of de Amsterdamse Westelijke Tuinsteden nu al failliet te verklaren en de mantra van de homogeniteit te reciteren. Herstructurering is een proces van lange adem. Dat hebben we ook gezien in de Amsterdamse Bijlmermeer. Het is ook onjuist te veronderstellen dat middels de ideologie van menging arme en laaggeschoolde huishoudens de schuld krijgen van allerlei sociale problemen. In tegendeel: deze kwetsbare groepen en de wijken waarin ze wonen zijn in de afgelopen jaren juist in de steek gelaten door allerlei partijen, zoals corporaties, politiek, projectontwikkelaars, welzijnsinstellingen en werkgevers. Mijn stelling is dat onverdroten moet worden doorgegaan met de verbetering en verandering van de woningvoorraad in nauwe samenhang met een beleid ter verbetering van het onderwijs, de werkgelegenheid en de leefbaarheid.