Medisch beroepsgeheim is heilig, ook als patiënt verdachte is

Een politie-onderzoek naar vier doden in Den Haag stokt door het medisch beroepsgeheim, zo bleek deze week. „De politie probeert de wet te ondermijnen via de media.”

Wat is belangrijker: het beroepsgeheim van artsen of een politieonderzoek naar een aantal doden? Die vraag werd deze week actueel, omdat de Haagse politie een verband vermoedt tussen de dood van vier mensen die voor het laatst levend zijn gezien op een terrein van de psychiatrische instelling Parnassia in Den Haag.

Bij de dood van twee van hen, een moeder en een zoon, was de politie zelfs een verdachte op het spoor. Maar het mogelijk laatste puzzelstuk ontbreekt: informatie over de verdachte, patiënt van Parnassia. De GGZ-instelling wil die niet prijsgeven wegens de medische geheimhoudingsplicht.

Dit leidt tot frustratie bij de politie. „Het medisch beroepsgeheim weegt kennelijk zwaarder dan het oplossen van een zaak waarbij één of meer slachtoffers zijn gevallen”, stelt onderzoeksleider Gijs Folsche in de Korpskrant van Politie Haaglanden.

Deskundigen uit de medische wereld begrijpen de frustratie van de politie. Maar zij vinden het kwalijk dat de politie die frustratie via de media heeft geuit. „De politie probeert de wet te ondermijnen via de media. Daar maak ik me zorgen over”, zegt Marleen Barth, voorzitter van GGZ Nederland. „De politie moet haar taak uitoefenen binnen de grenzen van de wet, en in zo’n instelling gelden de grenzen van de wet. Namelijk dat privacygevoelige informatie niet naar buiten mag worden gebracht.” Als Parnassia de patiëntgegevens wel aan de politie had verstrekt, „kom je in een glijdende schaal terecht”, zegt Barth. „Een volgende keer wil een verzekeraar die gegevens ook wel hebben.”

De wet is duidelijk: opsporing is ondergeschikt aan het (medisch) beroepsgeheim. Artsen hebben zwijgplicht (tegenover iedereen) en verschoningsrecht (tegenover de rechter en politie). Maar als het maatschappelijk belang groot genoeg is kan de rechter beslissen dat artsen of instellingen informatie over patiënten beschikbaar moeten stellen voor opsporing.

Is het maatschappelijk belang in de ‘Parnassia-zaak’ groot genoeg? De politie vond van wel en vroeg via de rechter-commissaris of Parnassia de patiëntgegevens ter beschikking wilde stellen. De GGZ-instelling ging meteen in beroep bij de raadkamer. Die oordeelde dat Parnassia zich terecht beriep op geheimhouding. Het patiëntendossier bleef dus gesloten.

Wel kreeg de politie de tijdstippen waarop de verdachte zijn woning op het Parnassia-terrein verliet en wanneer hij weer terugkwam. „Maar wat wij wilden weten kregen we niet: in welke toestand verkeerde hij, wat voor kleren droeg hij?”, zegt een woordvoerder van de politie.

Sommige Kamerleden stelden de geheimhoudingsplicht naar aanleiding van ‘Parnassia’ ter discussie. „Voor de bühne”, zo omschrijft Arie Nieuwenhuijzen Kruseman, voorzitter van artsenorganisatie KNMG, de reactie van de politici „Je moet niet voor een incident de wet veranderen.”

Een verzoek om de geheimhoudingsplicht open te breken komt vaker voor, zegt Nieuwenhuijzen Kruseman. Dat zo’n verzoek de raadkamer haalt, gebeurt „zo’n tien keer per jaar”. Die stemt volgens hem zelden toe. Dan is het meestal bij personen die zelf van een strafbaar feit worden verdacht en zich achter het verschoningsrecht verschuilen: artsen, apothekers, notarissen en advocaten. Zo kan de rechter beslissen een dossier openbaar te maken als een arts bij een operatie een cruciale fout maakte, bijvoorbeeld met de dood van een patiënt tot gevolg.

Dat het verzoek een derde betreft, in de ‘Parnassia-zaak’ een patiënt, is zeer uitzonderlijk. Wil de politie deze zaak nog oplossen, dan zal het met nieuwe feiten moeten komen. Dat is lastig zonder de patiëntgegevens. En zo is het, volgens een nabestaanden, een kip en ei-kwestie. „De politie moet eerst bewijzen dat die patiënt de moord heeft gepleegd.”