Lotgenoten

Wie naar dieren kijkt, vermenselijkt ze, schrijft Rudy Kousbroek in Medereizigers, een bundel met bespiegelingen over dieren. „Dieren reizen met ons mee naar het onbekende.”

Een voorpublicatie.

Er zijn in onze cultuur een aantal gangbare manieren om naar dieren te kijken; de sporen daarvan zijn te vinden in de literatuur: dieren als karikaturen van mensen, als surrogaatkinderen, als levend speelgoed, als dienaars of werkslaven, als leermiddelen, als machines, als fabelwezens – ‘boodschappers’, ‘getuigen’, symbolen van de ziel – maar aan al deze opvattingen kleven in mijn ervaring valse sentimenten en stompzinnigheden. Er is eigenlijk maar één gezichtspunt dat aan min of meer verstandige criteria beantwoordt en dat is het dier als medereiziger.

Dat is het aspect dat mij het meest aanspreekt. Ik denk aan het motto van Nijhoffs gedicht Awater: ‘Ik zoek een reisgenoot’ – dat geeft niet alleen een zekere strekking aan het gedicht, het is voor mijn gebruik ook toepasbaar als definitie van onze relatie tot dieren: nuchter, niet sentimenteel en toch liefdevol, praktisch en realistisch. Dieren zijn vreemde wezens met onbegrijpelijke preoccupaties, maar ze reizen met ons mee naar het onbekende, ze zitten in hetzelfde schuitje – in de woorden van Jane Goodall, ‘mens en dier delen hetzelfde lot’.

Dat maakt het tragische tot een gemeenschappelijke categorie voor mensen en dieren – ziedaar een inzicht dat in de literatuur pas aan het eind van de 19de eeuw een coherente vorm begint te krijgen. De schrijver die ik vereer als de eerste of in elk geval grootste die uitdrukking gaf aan deze visie is Jules Renard (1864-1910), de schrijver van een bundel schetsen getiteld Histoires naturelles, voor het eerst verschenen in 1895: speelse en humeurige observaties over dieren, genoteerd in een droge, nuchtere stijl die soms aan Elsschot herinnert.

(-)

De foto van het konijn in de kinderwagen verleidde mij meteen, omdat het zo frappant het begrip medereizigers illustreert. Nu zijn daar wel meer afbeeldingen van: ik denk aan sommige prenten van Michael Sowa: mensen en dieren in een bootje op een onstuimige zee, een meisje wandelend langs het water met een reusachtige, levensechte beer. Maar de beelden van Michael Sowa zijn een mixed blessing, er zijn er ook die ik niet kan waarderen. Dan zie ik liever de foto van het Aziatische jongetje dat in slaap is gevallen tegen de flank van een Indische os, een ongekunstelde illustratie van het begrip reisgenoten. Of de aangrijpende foto van mensen, zo te zien vrijwillige brandweerlieden, die tijdens een watersnood een kat uit een boom hebben gered.

Vooral deze laatste foto (van Cor de Kock) roept de vraag op wat toch de verborgen banden zijn die mensen met dieren verbinden. Op grond van welk psychisch besef, van welk abstract beeld in het brein, voelen mensen zich geroepen niet zonder gevaar voor zichzelf een dier te redden dat anders ongetwijfeld ten dode opgeschreven zou zijn? Uit brandende huizen, uit diepe kloven, uit zinkende schepen: beelden uit de hel.

Een opmerkelijk feit is ook dat de betrokkenen het elkaar niet hoeven uit te leggen. Er is een vanzelfsprekendheid die door iedereen wordt begrepen en die ook niet toegelicht hoeft te worden aan wie deze foto’s bekijkt. Dat is de verbondenheid waar ik in dit boek naar heb gezocht en die met een zekere humor wordt opgeroepen door de foto van de kinderwagen met het konijn. (Om eerlijk te zijn: wat mij ook verleidde, was de nostalgische blik op een vooroorlogse kinderwagen, waar zo te zien bovendien nog aan geknutseld is: let op de porseleinen handvatten bij de kap, die zie je soms in Frankrijk nog als deurkruk, of als trekker bij de stortbak.)

Ik weet het: het is een beperking, of een tekortkoming, dat het in de literatuur die mij aanspreekt voornamelijk gaat om huis- en boerderijdieren – dieren wier reacties wij min of meer herkennen, ook al blijken ze au fond toch altijd weer vreemd en raadselachtig. Er bestaat over dieren een astronomische hoeveelheid literatuur, van Aristoteles tot J.M. Coetzee, maar het motto van Nijhoff biedt uitzicht, voor mij in elk geval, op een tamelijk selecte verzameling teksten en beelden, die illustreren hoe diep geworteld de gedachte van medereizigers is.

De grote kwaliteit van Jules Renards schetsen over dieren is niet alleen de juistheid van zijn waarnemingen, maar ook de humor. Waar het om gaat, is dat er meestal een speciaal soort ongerijmdheid ontstaat wanneer diergedrag wordt vermenselijkt. Dat vermenselijken is, vrees ik, onontkoombaar, want zonder poging tot inleving is een dier een machine. Het vermenselijken lukt tot op zekere hoogte altijd wel, maar heeft als bijproduct gewoonlijk die bepaalde absurditeit waar alleen het gevoel voor humor raad mee weet. Dat is ook waar het meesterschap van Maarten ’t Harts essays over dieren op berust, en ik herkende het ook weer in de aantekeningen van Frans van der Helm over het scheel kijken van vogels en viervoeters.

Het paradoxale is dat dit toch de meest rationele manier is om diergedrag te duiden: beter kan niet, onvolkomener wel. Het is wat ons in staat stelt om dieren lief te hebben; de humor onthult iets aandoenlijks in hun wezen, het brengt het in een vorm die een bepaalde aandoening veroorzaakt, ik bedoel liefde, zij het misschien niet bij iedereen. Een voorbeeld: het gedicht Geachte Muizenpoot van F. ten Harmsen van der Beek, waarin een kat wordt vermenselijkt; zo wordt zij beschreven als ‘mevrouwogige poezin’ en aangesproken met de woorden ‘zwijgzame zwakzinnige allerliefste’. Die woorden drukken de absurditeit uit die ik bedoel, en die tot gevolg heeft dat je je ten slotte aan zo’n beeld alleen maar weerloos kunt overgeven, ondanks het donkere geheim van wat er met haar kroost is gebeurd.

Het is onloochenbaar dat deze manier van zien voor een deel wortelt in een biologisch superioriteitsgevoel; er is dan in mijn oog ook een hiërarchie in: het geldt sterker voor zoogdieren dan voor slangen en kikkers, en bij de zoogdieren weer minder sterk voor exoten dan voor huisdieren. Maar het is daarbij tevens de enige manier van zien die niet strijdig is met een objectieve observatie van diergedrag. Aandacht en humor: die combinatie is kennelijk het fundament waar onze relatie met dieren in wortelt.

Wat mij ook telkens weer treft, is hoe de liefde voor dieren gesitueerd is in een wereld van onschuld, die om zo te zeggen vlak achter de horizon ligt. Dat is immers waar die aandoenlijke vorm van onnozelheid vandaan komt, die van de zwakzinnige allerliefste: uit het Paradijs, waar de leeuw ligt met het lam en het konijn met de kinderwagen, en de hond zijn kop door het kattenluikje probeert te steken.

Er is ook een zekere wederkerigheid: zoals Montaigne al opmerkte (Essais, livre II:12) krijg je van tijd tot tijd even een vermoeden van hoe de dieren óns zien – hoe ook zij er geen touw aan kunnen vastknopen, hoe zij het ons naar de zin trachten te maken en dingen voor ons proberen te doen, wortelend in een totaal onbegrip; maar dat maakt dan weer dat je ze alleen nog maar grondiger aan het hart wilt drukken en zweren dat je ze nooit in de steek zult laten: nooit, nooit, nu niet en niet eerder dan wanneer je het definitieve afscheid moet nemen, waarna je elkaar nooit meer terugziet.

Ziedaar trouwens wat mij ook bindt aan het wereldbeeld van schrijvers als Jules Renard: het besef dat er niets te verwachten is na de dood – niet voor dieren en niet voor mensen. Geen valse beloftes. Dat is wat ons bindt: er is alleen maar de gezamenlijke reis. Het bestaan van dieren is als een cadeau dat ons in de schoot wordt geworpen door Moeder Natuur – soms zelfs dieren die gelukkig lijken te zijn in onze nabijheid. Dat is een opoffering, een wonder, een overblijfsel uit een verloren Paradijs.

Bovenstaande tekst is een enigszins bekorte versie van de inleiding van Medereizigers, het boek verschijnt 14 februari bij Uitgeverij Augustus, €17,90