Let in pensioendiscussie op correcte levensduur

In deze krant van 30 januari schreef prof.dr. B.M.S. van Praag: ”Moest er enige decennia geleden nog gemiddeld 6 jaar pensioen betaald worden na het 65ste levensjaar, nu is dat wel 12 jaar.” Het hoofdcommentaar van 1 september 2008 betoogde: ”Toen onder toenmalig premier Drees in de jaren 50 de AOW werd ingevoerd, was de verwachting dat de 65-jarige nog drie tot vijf jaar van zijn pensioen zou kunnen genieten. Inmiddels moet bij die prognose zo`n vijftien jaar worden opgeteld.” Beide citaten zijn onjuist. Volgens het CBS hadden mannen al rond 1950 op hun 65ste nog circa 14 jaar te leven; ze werden gemiddeld 79 jaar. Anno 2007 registreerde het CBS een additionele levensverwachting van 17 jaar: mannen die hun 65ste verjaardag vierden, worden dus 82 jaar (en dat zal, volgens CBS-prognoses toenemen tot 86 jaar in 2050). In 2007 is dat slechts 3 jaar meer dan in 1950.

Waarschijnlijk keek Van Praag naar de levensverwachting bij de geboorte: die steeg met circa 8 jaar. Maar dat betekent niet dat de levensverwachting voor een man van 65 ook met 8 jaar is gestegen.

Vrouwen van 65 jaar mochten rond 1950 verwachten nog circa 15 jaar te leven; ze werden gemiddeld 80 jaar (8 jaar meer dan de levensverwachting bij de geboorte toen was). Anno 2007 laten CBS-cijfers voor vrouwen van 65 jaar een levensverwachting van 20 jaar zien. Tegen 2050 zou dat weleens 88 kunnen zijn.