Kamervragen horen niet bij de Irak-commissie

Het is niet zozeer de beslissing om de Irak-zaak door een regeringscommissie te laten onderzoeken, die ik in de Volkskrant van 4 februari ”een onaanvaardbare uitholling van het grondwettelijk parlementaire recht op controle en informatie” noemde (NRC Handelsblad, 4 februari). Ik doelde daarmee op de afspraak die is gemaakt dat gedurende het onderzoek van de commissie-Davids - dat negen maanden zal duren - door de regering geen vragen uit het parlement over Irak zullen worden beantwoord. Die vragen zullen worden voorgelegd aan de onderzoekscommissie, die ze zal beantwoorden. Dat is een staatsrechtelijk onjuiste procedure. Een commissie kan geen Kamervragen beantwoorden die volksvertegenwoordigers aan de door hen te controleren regering hebben gesteld.

Ik ben dan ook zeer teleurgesteld dat de coalitiefracties (met uitzondering van het PvdA-Kamerlid Kalma) na het debat van gisteren geen steun gaven aan een motie van Alexander Pechtold (D66) waarin aan de regering werd gevraagd om Kamervragen over Irak op een staatsrechtelijk correcte wijze te beantwoorden, ook tijdens het onderzoek. Het is bedenkelijk dat de meerderheid van de coalitiefracties het recht van ieder individueel Kamerlid om vragen te stellen en daarop antwoorden van de regering te krijgen onmogelijk maakt.