Ja ... én nee

Sinds de hulpverleners en bedrijfstrainers de wereld hebben overgenomen, gaan we anders met elkaar om. Het is een stille revolutie geweest die, vrees ik, niet meer terug te draaien is. Vergeleken met vijftig jaar geleden leven we in een nieuwe wereld. We geven traumatische gebeurtenissen een plekje, we pakken onze problemen op en we gáánervoor.

Verder zijn twee begrippen heel erg belangrijk geworden in de nieuwe wereld: ja en nee. Die sluiten elkaar overigens niet uit. Op de vraag: ‘Heb je je draai in je nieuwe baan een beetje gevonden?’ kun je bijvoorbeeld heel goed antwoorden: ‘Nou... ja én nee.’ En dan een lang verhaal gaan afsteken over ‘heel lekkere koffie’, maar ‘een heel nazistische bedrijfscultuur’.

Ook afzonderlijk gaat het vaak over ‘ja’ en ‘nee’. Hoe vaak hoor je niet een of andere verse Bekende Nederlander in een interview zeggen: ‘Ik heb echt moeten léren nee-zeggen.’ Nee-zeggen is zo belangrijk, omdat de moderne mens het zogenaamd heel druk heeft en alles wil (tv-kijken, Wii-en, Facebooken, noem maar op), en niet meer beseft dat je sommige dingen ook níet kunt willen. Dat lijkt mij altijd onzin, want vroeger waren de mensen toch ook druk? Met de hand de was doen, onderwijl een drieling borstvoeden en aardappels ontpitten, schillen, koken en stampen voor een man die twaalf uur per dag in een humeurverpestende fabriek werkte. Zou zo iemand hebben kunnen zeggen: ‘Ik heb echt moeten leren nee-zeggen, ik doe de was niet meer.’ Natuurlijk niet. Nee-zeggen moet alleen tegen dingen die au fond nog best leuk zijn. Meedoen aan een benefietconcert ofzo.

‘Ja’ is trouwens minstens zo belangrijk. Ik kreeg een tijdje geleden te horen: ‘Je redeneert nu vanuit ‘het nee’, ik zou graag zien dat je wat meer uit ‘het ja’ ging denken.’ Inderdaad heb ik de neiging eerst te zeggen wat ik allemaal niet wil en walgelijk vind en nooit meer mee wil maken, om pas daarna voorzichtig te gaan denken over wat ik wel zou willen. Denken vanuit ‘het ja’ betekent dat je iets meer in de tsjakka-hoek van het leven moet gaan zitten. Dus als iemand een idee oppert (zullen we naar de Efteling gaan?) moet je eigenlijk meteen roepen: ‘Jaaaa!’, want daar wordt die hele excursie al bij voorbaat leuker van. Als je gaat zeggen: ‘We kunnen ook naar Duinrell, daar is een zwembad’, ben je ondermijnend bezig. En dat is dus niet vanuit ‘het ja’.

Het moeilijke is natuurlijk: wanneer moet je laten zien dat je hebt leren nee-zeggen, en wanneer moet je bewijzen dat je kunt leven vanuit het ja? Of, breder gezien: hoe weet je wanneer je tot actie moet komen en wanneer het het beste is om even op je handen te gaan zitten?

Het zou fijn zijn als alle hulpverleners en bedrijfstrainers daar eens een antwoord op zouden hebben. Maar nee, zodra je een concrete, duidelijke vraag stelt, zegt zo iemand nooit ‘ja’ of ‘nee’, maar altijd iets als: ‘Dat is een antwoord dat jij alleen kunt geven.’

Paulien Cornelisse is schrijfster en cabaretière